Jonathan Swift schreef Gulliver’s Travels begin jaren twintig van de achttiende eeuw, het boek werd in 1726 gepubliceerd. Meesterwerk. Het boek spreekt nog onverminderd tot de verbeelding — vertaald, verfilmd, vereeuwigd. En de auteur is nooit meer uit de belangstelling geraakt. Onlangs nog een nieuwe, opzienbarende biografie en een Cambridge Edition van al zijn werk (zie de recensie van Finton O’Toole in The New York Review of Books, 19 december 2013). De avonturen in oorden als Lilliput, Brobdingnag, Balnibarbi, Laputa zijn nauw verholen spotternijen over het (politieke) Engeland van zijn dagen — de factiestrijd tussen de hoge hakken en de lage hakken die de Lilliputters onder elkaar moeten uitvechten, bij voorbeeld — maar kunnen zonder die context met gemak op eigen benen staan. Swift’s creatieve fantasie is grenzeloos en hij schrijft alsof hij met de pen geboren is.

 

Swift

 

In allerlei opzichten is Swift verrassend modern. De inboorlingen van Lilliput snoeren Gulliver vast nadat hij als schipbreukeling op hun eiland is aangespoeld. Ze zijn klein, iets langer dan de middelvinger van Gulliver, en beschouwen hem als ‘mens-berg’. Hij moet héél nodig plassen en kan het niet anders doen dan liggend, open en bloot, met slechts één hand vrij. De honderden Lilliputters die zich hebben verzameld om het monster te bekijken, zijn er getuigen van en kijken vol ontzag toe hoe een schier oneindige straal urine het lichaam van Gulliver verlaat. Poepen moet ook, maar Gulliver past nergens in, dus hij besluit om dat voortaan ook maar openlijk te doen. Hij is dan al vrijgelaten. Ik stel me voor dat kinderen dit mooie passages vinden. Later komt het piesen van Gulliver erg van pas als het paleis van de Lilliput-keizerin in brand staat. De brand wordt geblust door een flinke straal van de gealarmeerde reiziger. Swift vergeet niet op te merken dat de keizerin nooit meer op die plek wil wonen.

Wat mij altijd heeft geïnteresseerd zijn Swifts beschrijvingen van de hoofdsteden die Gulliver op zijn reizen aandoet. De ‘metropool’ van Lilliput is Mildendo, de stad telt een half miljoen inwoners en is helemaal ommuurd. De stadsmuren zijn 75 centimeter hoog en ruim 27 centimeter breed, er kunnen paarden en wagens overheen rijden. Om de 3 meter staan uitkijktorens. Mildendo is in een perfect vierkant gebouwd, iedere zijde 150 meter lang. Twee hoofdstraten delen de stad in vier parten. Precies in het midden, op de kruising, staat het paleis van de keizerlijke familie, op zichzelf eveneens ommuurd. Als Gulliver de stad wil bekijken, moet hij dat ruim van te voren bekendmaken, zodat alle inwoners uit voorzorg kunnen wegkruipen — mocht hij per ongeluk op ze trappen, dan worden ze uiteraard vermorzeld. In Brobdingnag zijn de rollen omgedraaid: Gulliver is nu een soort Klein Duimpje en de inwoners torenen hoog boven hem uit. De hoofdstad Lorbrulgrud ligt aan beide zijden van een rivier en telt maar liefst 600.000 inwoners, ze strekt zich uit over een lengte van bijna 55 mijl en een breedte van ruim 40 mijl. Het Koninklijk Paleis is een samenraapsel van hoge gebouwen en vormt een complex van 7 mijl in de omtrek. De stadsmuren zijn drie meter dik en zijn gebouwd van stenen die ruim een kubieke meter groot zijn. Overal staan enorme standbeelden van goden en keizers (Gulliver vindt een afgebroken marmeren pinkje, het is ruim één meter lang).

 

Swift's Mildendo

 

 

 

 

 

De laatste stad is Lagado, de metropool van het Vliegende Eiland. De stad is half zo groot als Londen, vertelt Gulliver, maar de huizen lijken op instorten te staan. Op straat lopen mensen in vodden, met ernstige ziekten en hongerige, wilde ogen. Het is hier droefenis en gebrek.

In de wetenschappelijke literatuur over Swift heerst de mening dat alle drie de steden afspiegelingen van het Londen uit Swift’s dagen zijn. Ook de namen zouden woordspelingen zijn op de Britse hoofdstad of delen daarvan (Mildendo = Mile End). Lagado zou inderdaad zomaar een Londense achterbuurt kunnen zijn, East End bij voorbeeld — Charles Dickens zou dat deel van Londen een eeuw later met ongeveer dezelfde beelden karakteriseren, lees Oliver Twist. Ook de inwonertallen kloppen zo’n beetje en de rivier van Lorbrulgrud is natuurlijk de Thames. Maar geldt dit alles ook voor Mildendo? Ik denk van niet: de symmetrische stad die gebouwd is op basis van een grid-structuur was in de tijd van Swift alleen nog maar een utopie. Althans voor Groot Brittanië. Pas decennia later in de achttiende eeuw zijn de New Towns van Glasgow en Edinburgh gerealiseerd, inderdaad precies volgens het stramien dat Swift aangeeft; in India werd de ‘roze stad’ Jaipur volgens die principes geconstrueerd, ongeveer in dezelfde periode. De enige moderne stad waarop Swift zich misschien heeft kunnen baseren was Philadelphia, gesticht op het eind van de zeventiende eeuw. Het is goed denkbaar, maar ik ben in de literatuur geen concrete aanwijzingen tegengekomen. Een aantrekkelijk onderwerp voor een scriptie: Gulliver’s steden.