Eerder kondigde ik op deze plaats aan dat ik af en toe over André Köbben zou schrijven. Hij was mijn leermeester en hij overleed afgelopen zomer, 13 augustus 2019. Een groot verlies, niet alleen voor mij. Zijn jongste dochter informeerde me, ik verbleef in Spanje en kon niet bij de crematie zijn. Pijnlijk. Ik plaatste destijds op dit blog bij wijze van afscheid een interview dat ik hem een paar jaar eerder had afgenomen. Het was voor de redactie van Sociologie Magazine aanleiding om me te vragen een herinnering aan Köbben te schrijven. Het blad is geassocieerd met de Nederlandse Sociologen Vereniging, waarvan Köbben erelid was. Mijn stuk is afgedrukt in het laatste nummer (26e jaargang, nr. 1, maart 2020), wat me de vrijheid geeft het hier te plaatsen zoals ik het oorspronkelijk heb aangeleverd (de eindredacteur van het Magazine heeft een aantal woorden geschrapt, alsmede alle referenties; het geheel mocht nu eenmaal niet langer zijn dan duizend woorden). Ik neem aan dat er geen grote overlap bestaat tussen de lezers van het Magazine en de lezers van mijn blog.

De eerste keer dat ik André Köbben sprak, moet in 1965 zijn geweest. Ik was naar zijn spreekuur gekomen om hem te vragen of ik zijn vak, Culturele Antropologie, als hoofdvak kon nemen. Zo ging dat blijkbaar in die dagen. Weet u dat wel zeker?, vroeg hij. Hij raadpleegde mijn studentenkaart en zei dat hij hoopte dat ik rijke ouders had, of tenminste een flinke erfenis tegemoet kon zien. Ik zal hem verbaasd hebben aangekeken. Er is met dit vak geen droog brood te verdienen, verklaarde hij. Het was een geloofsartikel dat hij ook op schrift verkondigde: antropologie, misschien wel wetenschap in het algemeen, studeer je uit liefde en overtuiging. En daar ligt ongetwijfeld een romantische inborst aan ten grondslag. Later, in zijn Wetenschap als amusement heeft hij dat nader uitgewerkt.

Köbben’s wetenschappelijke loopbaan had een bliksemstart, zoals dat heet. Namens het IFAN, het Institut Francais d’Afrique Noire was hij begin jaren vijftig (per boot) afgereisd naar Ivoorkust om ‘volkenkundig’ onderzoek te doen naar enkele tribale groepen, de Agni, Bete en Attié. Het was de vervulling van een lang gekoesterde wens, zou hij er jaren later over schrijven: De hang naar een gans andere, exotische wereld, het verlangen kennis te maken met een kleine, besloten gemeenschap waar het één voor allen en allen voor één gold.

Dacht ik, voegt hij er Köbbiaans-ironisch aan toe.

Hij verbleef van mei 1953 tot mei 1954 in West-Afrika, promoveerde een jaar later op Zwarte planters; proeve van een facet-ethnografie, en werd vrijwel onmiddellijk, op nauwelijks dertigjarige leeftijd, tot hoogleraar benoemd aan roemruchte Zevende Faculteit van de (toen nog) Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Hij volgde zijn leermeester J.J. Fahrenfort op, voor wie hij groot respect had. Toch vormde zijn benoeming een breuk in de geschiedenis van de Amsterdamse volkenkunde (later culturele antropologie, of kortweg antropologie). Fahrenfort was een typische kamergeleerde, die zijn kennis en inzichten over verre volken en obscure gebruiken aan boeken ontleende. Hij vertegenwoordigde de ‘armchair anthropology’; van een direct contact tussen de onderzoeker en onderzochten, wat tegenwoordig als het handelsmerk van het vak wordt beschouwd, was nog geen sprake en werd hier en daar zelfs gezien als onwenselijk, misschien zelfs onwetenschappelijk.

Köbben vond zijn eigen weg. Ik was uitzonderlijk slecht op mijn taak voorbereid, blikt hij terug. Wat er over zijn tribalen in Ivoorkust was geschreven, had hij gelezen, maar dat stelde niet veel voor. Het klinkt nu ongelooflijk, aldus de auteur in een terugblik, maar ik had zelfs nog nooit gesproken met iemand die zulke mensen in levenden lijve had ontmoet. Eén uitzondering: dr. Paul Juliën, schrijver van de internationale bestseller Kampvuren langs de evenaar. Deze man van ‘onwrikbare beginselen’ had als advies gegeven een tropenhelm mee te nemen en zich door de inboorlingen ‘nooit, maar dan ook nooit te laten tutoyeren’.

Köbben heeft ruimschoots geput uit zijn eerste onderzoekservaringen. Zelfs bijna een halve eeuw na dato gebruikte hij zijn aantekeningen nog, bij voorbeeld in het geestige Kleine etnografie van een koloniaal gezelschap. Het ging om een bijproduct van zijn onderzoek bij de ‘zwarte planters’, namelijk de manier waarop vertegenwoordigers van de Franse koloniale macht in Ivoorkust dachten over de inheemse bevolking. Maar zijn repertoire aan onderzoekservaringen breidde zich snel uit, tien jaar na Ivoorkust verrichtte hij veldwerk bij de Djoeka, langs de Surinaamse Cotticarivier. Ik volgde zijn colleges toen hij net was teruggekeerd, opgebouwd uit vele anekdotes. Vooral de slimheid van de bosnegers en zijn eigen onhandigheid gaf hij ruim aandacht. De achterliggende gedachte was: ogenschijnlijk vreemde of primitieve gewoonten en gebruiken blijken bij serieus onderzoek altijd op min of meer rationele overwegingen te zijn gebaseerd. Deze manier van kijken leer je ook uit het handboek dat destijds onderdeel uitmaakte van mijn tentamenstof: Van primitieven tot medeburgers uit 1964. Hij leek geschokt toen ik op het tentamen per ongeluk sprak over Van primitieven tot medemensen.

Köbben had een ‘onderzoeksoog’, een open bewustzijn voor interessante sociale verschijnselen, vaak opgepikt uit alledaagse, directe ervaringen. Hij hield er talloze ‘mapjes’ op na waarin hij notities en knipsels verzamelde. In de schitterende bundel die in 1990 aan hem werd opgedragen, Wetenschap en partijdigheid, wordt zijn ‘verbijsterende veelzijdigheid’ geroemd. Ik denk dat dit inderdaad de beste kwalificatie is. En dan vergeten we voor het gemak maar zijn liefde voor bridge, waarover hij, natuurlijk, ook geschreven heeft.

Halverwege de jaren zeventig nam hij ontslag in Amsterdam; de ideologische stormen die door de universiteit woedden werden hem teveel. Niet eens zozeer vanwege de oproerige studenten, die kon hij wel aan, maar eerder vanwege de slappe knieën van veel van zijn collega’s en medewerkers. In Leiden werd hij directeur van het COMT, het Centrum voor Onderzoek naar Maatschappelijke Tegenstellingen. Later aangevuld met gasthoogleraarschappen in Leiden en Rotterdam. In 1977 publiceerde ik De abortusbrieven als tweede publicatie van het COMT, het instituut bestond toen nog niet eens een jaar. De duizenden brieven over de abortuskwestie die ik voor die studie analyseerde, waren afkomstig van ministers en Kamerleden, ik had ze gekregen door bemiddeling van Köbben. Hij fungeerde in Leiden jarenlang als spil in het web van het minderhedenonderzoek en werd korte tijd zelfs een Bekende Nederlander door zijn lidmaatschap van de Commissie Köbben-Mantouw die moest rapporteren over de Molukse kwestie.

Het COMT was afhankelijk van opdrachtonderzoek (derde geldstroom) en in dat verband heeft Köbben met uiteenlopende overheidsinstellingen, bedrijven en stichtingen te maken gehad. Het heeft hem met de neus gedrukt op ethische kwesties en samen met zijn medewerker Henk Tromp heeft hij de minder toonbare dagelijkse praktijk van het opdrachtonderzoek in kaart gebracht: De onwelkome boodschap of hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt. In later jaren heeft hij fraaie essaybundels gepubliceerd over het wetenschapsbedrijf als zodanig, voortbordurend op De weerbarstige waarheid uit 1991. Zijn allerlaatste werk, van twee jaar geleden, past precies in deze traditie: Over de rol van ijdelheid in de wetenschap. Maar er stond bij zijn overlijden nog van alles op stapel, onder andere een vergelijking van biografieën en een essay over de rol van taal en talenkennis in de antropologie.

Köbben schreef veel, maar zorgvuldig en toegankelijk. Er is maar één artikel in zijn lange loopbaan ‘volstrekt onbegrijpelijk’, schrijft hij in zijn boek over ijdelheid, ‘behalve voor het handjevol mensen dat grondig geschoold is in wat wel ‘kinship algebra’ heet’. Ik kan het beamen, want van het artikel in kwestie was ik medeauteur*. De eis van helder formuleren hield hij zijn studenten en promovendi met grote klem voor en er moet menige zucht geslaakt zijn als hij hoofdstukken van proefschriften terugstuurde met veel uitroeptekens en woordjes als ‘foei’. Ondanks zijn veeleisendheid was hij onmiskenbaar populair. Hij heeft dertig promovendi klaargestoomd en een flink aantal van hen, een derde, is zelf hoogleraar geworden, zowel in de criminologie, sociologie als de antropologie. Niet voor niets werd hier en daar gesproken van de Köbben Family, een aanduiding die ikzelf bedacht zou hebben (Wilterdink 1990).

André Köbben was hoffelijk en charmant, zat vol met roddels en anekdotes, maar was bepaald geen allemansvriend. Na mijn afstuderen heeft hij me een keer voorgesteld om elkaar te tutoyeren, ik had net vier jaar voor hem gewerkt als assistent. Het ging hem gemakkelijk af, maar het heeft bij mij jaren geduurd voordat ik spontaan André tegen hem durfde te zeggen.

* zie mijn stukje over Lévi-Strauss dat ik enkele dagen geleden op deze plaats publiceerde.

 

Verwijzingen:
Bovenkerk, Frank, Frank Buijs, Henk Tromp (red) Wetenschap en partijdigheid. Opstellen voor André J.F. Köbben. Assen, Maastricht (Van Gorcum) 1990

Brunt, Lodewijk, De abortusbrieven. Meppel, Amsterdam (Boom) 1977

Köbben, A.J.F. , Van primitieven tot medeburgers. Assen (Van Gorcum, Prakke, Prakke) 1964

Köbben, A.J.F., De weerbarstige waarheid. Opstellen over wetenschap. Amsterdam (Prometheus) 1991

Köbben, A.J.F., Wetenschap als amusement. Houten, Zaventhem (Bohn, Stafleu, Van Loghum) 1993

André J.F. Köbben, ‘Kleine etnografie van een koloniaal gezelschap’, in: Migratierecht en rechtssociologie. Gebundeld in Kees’s studies. Z.p. (Wolf Legal Publishers) 2008

Köbben, André, Over de rol van ijdelheid in de wetenschap. Amsterdam (Rozenberg Publishers) 2017

Köbben, A.J.F. en Henk Tromp, De onwelkome boodschap of hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt. Amsterdam (Jan Mets) 1999

Wilterdink, Nico, Een koopman in bedrukt papier. Vrij Nederland 8 september 1990

NB

André Köbben is op 13 augustus 2019 overleden, werd op 3 april 1925 geboren