Joseph Epstein recenseert Literary Rivals van Richard Bradford in het laatste nummer van Commentary Magazine, een boek over literaire vijandschappen en vetes, voornamelijk in de Angelsaksische wereld. Mooi onderwerp over roddels, achterklap, jaloezie, minachting, moordlust. Epstein verzekert zijn lezers dat hij precies weet waarover het gaat, ook hij heeft zo zijn speciale stokpaardjes. Lang geleden schreef zijn collega-schrijfster Joyce Carol Oates een ingezonden brief naar de New York Times waarin ze ervoor pleitte dat hij zou worden ontslagen als redacteur van American Scholar vanwege een politiek incorrecte houding—hij heeft het haar nooit vergeven. Het verheugde hem daarom in hoge mate toen hij onlangs hoorde dat een andere collega-schrijver, Gore Vidal, de volgens hem drie ‘deprimerendste woorden’ uit de Engelse taal had opgenoemd: joyce, carol en oates. Wie zou er ooit belangstelling kunnen hebben voor wat Mevrouw Oates te melden heeft over schrijverschap, merkte Epstein een paar jaar geleden op in een brief aan zijn correspondentievriend en collega-schrijver Frederic Raphael (Distant Intimacy, Yale University Press 2013), ‘ze schrijft sneller dan konijnen zich vermenigvuldigen en het spijt me dat ze de Nobelprijs voor literatuur nog niet gewonnen heeft, want dat zou de definitieve nekslag voor die prijs betekenen’.

Schrijvers zijn grote geesten, geen twijfel, maar ze gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Als het op reputatie aankomt, schrijft Epstein in zijn recensie, voelt geen enkele schrijver dat hem recht is gedaan, terwijl hij er zeker van is dat velen van zijn tijdgenoten ten onrechte zijn geprezen en beloond. Het is een zwarte dag voor de meeste schrijvers als er prijzen, beurzen of onderscheidingen worden uitgereikt waarbij zij niet worden genoemd. In kringen van academici is het niet anders, weet ik uit eigen ervaring, maar ook bij advocaten, ondernemers, medici, journalisten tref je het verschijnsel aan. Klassieke musici zouden het ergste zijn. Maar het bijzondere van schrijvers is dat je hun afgunst en rancune in hun werk kunt terugvinden–vetes worden zwart op wit vereeuwigd en blijven daardoor voor het nageslacht bewaard. Van kinnesinne en ruzie wordt—in de beste gevallen—literatuur gemaakt. In Nederland kun je denken aan Willem Frederik Hermans die de literaire wereld van Nederland verpletterde in zijn Mandarijnen op zwavelzuur. Destijds onderhoudend om te lezen, fraai en giftig; zou het boek de tand van de tijd hebben doorstaan? Veelal wordt een andere vorm gekozen om met tegenstanders af te rekenen, bij voorbeeld de sleutelroman. De rancuneuze Hermans zette de Universiteit van Groningen te kijk in zijn roman Onder professoren. Iets dergelijks deed chemicus/schrijver Judicus Verstegen in zijn roman De koekoek in de klok, uit 1969, die zich afspeelt aan de Universiteit van Amsterdam, toen nog een gemeentelijke universiteit. Er stonden dodelijke portretten in en de ‘GU’ was nog overzichtelijk genoeg om de personages met gemak te kunnen identificeren. Het boek werd door de uitgever uit de handel genomen wegens dreiging met processen.

Het is niet altijd duidelijk waar de behoefte tot afrekening vandaan komt. Vladimir Nabokov liet nooit een kans voorbijgaan om Fyodor Dostoyevski belachelijk te maken—met geen mogelijkheid kun je verzinnen wat die twee met elkaar te maken hebben gehad: Nabokov werd zo’n tien jaar na het overlijden van Dostoyevski geboren. Hetzelfde geldt voor Leo Tolstoy die een diepe minachting had voor William Shakespeare. In een biografie van Tolstoy werd verteld dat de grote schrijver een wandeling maakte over zijn landgoed met de jonge Anton Tsjechow. Tolstoy zou hebben gezegd: Anton Pavlovich, ik bewoner je korte verhalen, niemand bewondert ze meer dan ik. Schrijf meer verhalen, prachtige verhalen, onvergankelijke verhalen. Maar je toneelstukken, Anton Pavlovich, werkelijk, je toneelstukken zijn zelfs nog slechter dan die van Shakespeare.

Diana Athill noemt in haar prachtige Stet—de herinneringen aan haar tijd als redacteur bij uitgeverij André Deutsch—het geval van een schrijver die een manuscript had ingeleverd waar nog het nodige aan gesleuteld moest worden, om het zacht uit te drukken. I doubt if there was a sentence that I did not alter and often had to retype. Toen het boek uitkwam werd het lovend gerecenseerd in The Times Literary Supplement–beautifully written, had de criticus geschreven. Athill kreeg een briefje van de auteur met een kopie van de recensie en een persoonlijke aantekening. Ach, wat aardig, dacht ze, hij bedankt me voor al dat werk. Nee, dus. De schrijver vroeg speciale aandacht voor de opmerking dat het boek zo mooi geschreven was–which confirms what I have thought all along, that none of that fuss about it was necessary. Athill is zo fatsoenlijk om geen namen te noemen, maar je kunt er zeker van zijn dat er in het literaire roddelcircuit druk gespeculeerd wordt over wie deze minkukel was.

Over andere schrijvers is openlijk geroddeld, V.S. Naipaul is misschien het bekendste voorbeeld. Ook hij figureert in Stet, Athill heeft heel wat werk van hem geredigeerd (hij leverde trouwens vlekkeloze kopij in), maar dat gaat vooral over zijn akelige karakter en de schandalige manier waarop hij met zijn vrouw omging. Paul Theroux heeft Naipaul met naam en toenaam neergesabeld in Sir Vidia’s Shadow. A Friendship across Five Continents (1998)—evenmin zozeer op basis van het schrijverschap, maar vooral ook vanwege Naipauls karaktereigenschappen. Het boek heeft trouwens weer aanleiding gegeven tot verdere polemieken–wat dacht een tweedehands schrijver als Theroux nu eigenlijk in te brengen tegen een literaire reus als Naipaul?

Is de literaire rivaliteit van karakter veranderd? Richard Bradford ziet een verschil tussen zulke rivaliteiten in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, de Britten vechten wat meer met humor en sarcasme, de Amerikanen gaan eerder op de vuist en gebruiken straatmethoden. Volgens Epstein heeft dat onder andere te maken met de invloed van de massamedia, met name de tv. Iemand als Norman Mailer kon fantastisch om zich heen slaan omdat hij een weergaloze tv-persoonlijkheid was, wat ook gold voor Truman Capote en aan paar anderen. En het lijkt erop dat die moderne communicatiemiddelen de oude culturele rangordes hebben opgeschud. Athill heeft het over de oude hiërarchie in termen van een kaste: schrijvers wonen in Londen, zijn afkomstig van Oxford of Cambridge, dulden geen ‘nieuwkomers’ in hun kringen. Joseph Epstein schrijft aan Raphael in termen van High Culture. Je herinnert je vast nog wel wat dat was, zegt hij, zwaar van gewichtigheid en ernst: Joyce en Proust, Kafka en Valéry, Matisse en Cézanne, Schoenberg en Ravel en die hele bende. En hij vervolgt: A very exclusive club, the High Culture, membership limited, exceedingly difficult to get into. No guests allowed. Middlebrows and tradesmen enter at rear. Het hoort niet meer bij onze tijd, zo’n gesloten kaste, de verhoudingen zijn aan het schuiven geraakt, de grenzen vervaagd, de posities losgeslagen.

Als gevolg zijn er allerlei nieuwe coterieën ontstaan met nieuwe namen en gezichten die allemaal moeten knokken om een plekje in de literaire bijlagen, tv-babbelprogramma’s, tijdschriften, leesclubs. Hey, there’s room for everybody, and let’s not hear any of that high standards bullshit, either. Rivalen worden nu ook gezocht waar ze nooit eerder waren.

 

illustraties
Joseph Epstein; bron: kstreet607.com
Diana Athill; bron: www.hungertv.com
V.S. Naipaul; bron: kolenorberg.com