Verrassing! Op de tentoonstelling van de Howard Greenberg-collectie in het Joods Historisch Museum hing, tussen alle andere ‘klassieken’ van Capa, Cartier-Bresson, Weegee, W. Eugene Smit, Dorothea Lange, Walker Evans, een door mij lang gekoesterde foto. Ik had van te voren geen idee dat ook deze plaat door Greenberg ‘verzameld’ was. Het roversnest, oftewel Bandit’s Roost. De foto stamt uit het eind van de jaren 1880 en is genomen door de journalist/actievoerder/fotograaf Jacob Riis. De fotograaf heeft zijn camera opgesteld aan het begin van een straatje, niet breder dan twee, tweeënhalve meter en wordt wantrouwend aangestaard door een stuk of tien grimmig uitziende mannen, waarvan één een vervaarlijk uitziende staaf in de hand heeft. De mannen staan, of kijken uit opengeschoven ramen. Verderop hangt was te drogen aan wasrekken en aan waslijnen die tussen de gevels zijn gespannen. Ik heb de foto ontelbare keren gezien, hij staat afgedrukt in allerlei boeken – veruit het beste en scherpste in Alexander Alland’s biografie: Jacob A. Riis. Photographer & Citizen, uitgegeven door de Aperture Foundation in New York (1973), pagina 97. Mijn verbazing in het JHM is op dit boek terug te brengen – hierin staat namelijk vermeld dat de foto’s van Riis zijn samengebracht in de Jacob A. Riis Collection, die sinds 1947 toebehoort aan het Museum of the City of New York. Hoe komt het origineel van Bandit’s Roost in handen van een particuliere verzamelaar als Greenberg?

 

Ik zag de tentoonstelling toen ik net voor het eerst een boek in handen had gekregen waar ik lang geleden naarstig naar had gezocht – Emil Kläger’s Durch die Wiener Quartiere des Elends und Verbrechens. Ein Wanderbuch aus dem Jenseits. Dit verscheen oorspronkelijk in 1908, zo’n beetje in dezelfde tijd dat Riis actief was. Kläger was net als Riis journalist en zijn verslag van ‘de andere kant’ is verlucht met foto’s, gemaakt door Hermann Drawe, die de journalist vergezelde op zijn reizen. Het kwam goed uit dat Drawe aan het Weens gerechtshof verbonden was, hij kon daardoor fungeren als ‘getuige-deskundige’, mochten de lezers van Klägers reportages denken dat hij ze verzonnen had. Het Wanderbuch voert de lezer mee naar een verborgen, soms letterlijk, ondergrondse wereld waar zich hele volksstammen zwervers en daklozen ophouden: het ingewikkelde, wijdvertakte kanalenstelsel onder de stad, stookplaatsen van baksteenfabrieken, opvangcentra, parken. Op de foto’s zie je kleine ruimten waar mensen opeengepakt op de grond liggen te slapen – vrouwen, mannen, kinderen door elkaar – buizen, stookhokken, riolen.

Zowel Kläger als Riis werkten aan het front. Midden in het hart van de stedelijke explosie die in het laatste kwart van de negentiende eeuw en het eerste kwart van de twintigste eeuw plaatsvond. Wenen was tussen 1800 en 1850 gegroeid van 250.000 inwoners naar 650.000 en telde ruim vijftig jaar daarna al meer dan 2 miljoen mensen. In New York ging het net zo hard. Daar kon niet tegenop worden gebouwd, met als gevolg dat de nieuwkomers weliswaar werk konden krijgen, maar géén woonruimte. Ze betrokken vochtige kelders, opslagruimten, krotten en moesten die met veel anderen delen. Geen voorzieningen, geen licht, geen lucht – ernstige overbevolking, ziekten, verderf, zware criminaliteit. In huidige ‘groeisteden’ als Lagos, Mumbai, Delhi, Dhaka, Mexico, Abidjan worden dezelfde processen weer herhaald.

Bandit’s Roost lag in de roemruchte ‘bocht’ van Mulberry Street, tussen Broadway en de Bowery, bij Canal Street en Chatham Street. Een achterbuurt zoals er geen tweede was, Poolse en Russische joden, Italianen, paupers. Vrijwel niemand sprak Engels. Dit was het gebied van de ragpickers, straten en stegen verstopt door vuilnishopen, handkarren en uitstallingen van dubieuze handelswaar – en tussendoor gescharrel van varkens en geiten, paarden, koeien. De buurt van Bandit’s Roost, aldus Riis, was een ingewikkeld samenstel van steegjes en gangen waar je onherroepelijk verdwaalde als je van buiten kwam.

In the dephts skulked the tramp and the outcast thief with loathsome wrecks that had once laid claim to the name of woman. Every foot of it reeked with incest and murder, robbery and redhanded outrage.

Riis was een eerste generatie immigrant, uit Denemarken; hij zette op zijn twintigste voet aan wal in New York. Briljante jongeman die een baantje vond als misdaadverslaggever bij de New York Tribune en later de New York Evening Sun. Ter verhoging van zijn marktwaarde leerde hij fotograferen en vanaf omstreeks 1890 leverde hij bij zijn reportages zijn eigen illustraties aan – een voorloper van Weegee. Hij trok zich het lot van de immigrantenbevolking aan en ijverde fanatiek voor verbetering van hun situatie, vooral op het gebied van huisvesting. Hij kreeg de steun van Theodore Roosevelt en voelde zich nauw verbonden met muckrakers als Lincoln Steffens, journalisten die corruptiepraktijken boven water brachten. Zijn meesterwerk is How the Other Half Lives (1890), een titel die overenkomt met het ‘Jenseits’ van Kläger, maar in zijn knappe The Battle With the Slum (1902) laat hij ook zien wat hij bereikt heeft als activist: de door hem zo gehate ‘bocht’ is dan goeddeels opgeruimd.

Riis kende de ‘bocht’ als zijn broekzak, in zijn tijd als verslaggever liep hij dag en nacht door Mulberry Street. Zijn reportages zijn fris en scherp, met oog voor detail en de grotere context. Hij leeft zich gemakkelijk in en kent, zélf kersverse immigrant, zijn onderwerp uiteraard van binnen en buiten. Emil Kläger blijft veel meer aan de buitenkant en bekijkt de mensen waarover hij schrijft als buitenstaander. Soms voert hij individuele daklozen ten tonele en dan merk je dat hij écht met ze gesproken heeft, maar het merendeel van zijn reportages is gewijd aan de materiële omstandigheden – je hebt eigenlijk geen idee over wie er onder deze omstandigheden moeten leven en hoe ze dat doen. Riis is een etnograaf avant la lettre, Kläger veel meer een sensatiejournalist.

Om op mijn vraag terug te komen – ik weet niet hoe Greenberg aan die prachtige plaat van Riis is gekomen, maar dat hij er moeite voor heeft gedaan (neem ik aan), siert hem – hij weet gelukkig wat moeite waard is!