Leven is leren. Altijd. Geen formele opvoeding of scholing die je kunt afsluiten met een diploma. Je leert van het bestaan zelf, omdat dit onophoudelijk in verandering is: wat gisteren gold, gaat vandaag niet meer op. Er bestaat geen eindexamen, je weet nooit of je geslaagd bent of gezakt. Je moet bij de les blijven. Wat in het algemeen geldt, is in het bijzonder van toepassing op stadsbewoners. Het stedelijke bestaan is grillig en in allerlei opzichten onvoorspelbaar, net als de fysieke stad waaraan voortdurend gesleuteld wordt. Je denkt dat je de stad kent, maar iedereen beleeft haar op zijn eigen manier. Alleen al als verkeersdeelnemer. Als je van A naar B reist met een auto, zie je een stad die aanzienlijk verschilt van de stad die je ziet als je dezelfde bestemming probeert te bereiken per fiets of te voet. En over de manieren waarop mensen zich in hun stedelijke omgeving oriënteren, weten we bitter weinig. Waar halen we onze kennis vandaan? Hoe is deze gekleurd? Hoe specifiek? Ik las een stukje in de krant over iemand die pas na veel omwegen vanaf het Centraal Station in Amsterdam de Nieuwmarkt wist te bereiken, ondanks instructies, plattegronden en vragen onderweg. Hoe is het mogelijk? In Amsterdam! Toch herinner ik me ook dat ik soms studenten vroeg om op het schoolbord aan te geven hoe de binnenstad van Amsterdam eruit ziet. Er waren studenten bij die wel zeven of acht grachten tekenden en geen idee hadden hoe ze van Oost naar West moesten komen.

Het is een stuk ingewikkelder. De Amerikaanse stadssociologe Lyn Lofland omschreef urban learning als de verwerving van kennis en vaardigheden die ons in staat stellen om ons te bewegen in een wereld van vreemdelingen. Hoe kom je aan informatie over mensen en situaties die je niet kent? In pre-industriële steden is het uiterlijk van overwegend belang, in moderne steden speelt locatie een grotere rol. Tussen die polen speelt het leerproces zich af. Zoals Lofland opmerkt: de geschoolde stadsbewoner maakt gebruik van aanwijzingen over zowel uiterlijk, locatie als gedrag—each piece of information reinforcing, correcting, or adding to the other. Het gaat in principe om culturele kennis die we opdoen als deelnemers aan een bepaalde samenleving. De schrijfster wijdt een hoofdstuk uit haar ‘klassieke’ handboek: A World of Strangers. Order and Action in Urban Public Space aan het onderwerp en bespreekt de verwerving van betekenissen over uiterlijk, locatie, gedrag, maar ook de verwerving van vaardigheden op diezelfde gebieden.

 


Lyn Lofland legt leren uit

In latere studies is Lofland, een van mijn oud-collega’s uit het vak, nooit teruggekomen op dit specifieke onderwerp en in het algemeen wordt er in de disciplines die zich met de stad en het stedelijk leven bezighouden nauwelijks aandacht aan het onderwerp geschonken—uitzonderingen daargelaten. Opmerkelijk. Je zou verwachten, om maar een voorbeeld te noemen, dat de sociologie van Erving Goffman bol zou staan van analyses over het uiterlijk: zijn werk draait vrijwel geheel om the presentation of self en impression management. Niet dus. Je ziet het vaak in de wetenschap: de banaalste dingen worden niet ‘geproblematiseerd’ en tot voorwerp van studie gekozen. Heeft dat iets te maken met het streven naar respectabiliteit? De pretentie dat de wetenschap zich alleen met ‘hogere’ zaken bezighoudt? Wie weet.

Dezer dagen kreeg ik een boek toegestuurd van een andere, ook al oud-collega: Rolf Lindner, emeritus hoogleraar aan de Berlijnse Humboldt Universiteit. Over zijn woonplaats: Berlin, absolute Stadt. Eine kleine Anthropologie der grossen Stadt. In het hoofdstuk over de stad als Menschenwerkstatt kom ik tal van goede bekenden tegen: de sociologen van de befaamde Chicago School, Erving Goffman, Georg Simmel, Jonathan Raban en onze gezamenlijke studente Dieteke van der Ree. Ik begrijp weer waarom we ooit een internationale stadssociologische werkgemeenschap wilden stichten met Henri Peretz uit Parijs en Lyn Lofland uit San Francisco. Als het gaat over de manier waarop stadsbewoners zich in het algemeen oriënteren, legt ook Lindner de nadruk op het belang van uiterlijk en hij haalt iemand naar voren die op dit terrein wellicht beschouwd mag worden als een grondleggers van die benadering: Honoré de Balzac.

 


Uitvinder van de vestignomonie

Balzac hield zich diepgaand met kleding bezig, ook in zijn eigen leven. Hij werd achtervolgd door kleermakers omdat hij nooit geld had om zijn torenhoge rekeningen te betalen. Hij introduceerde een nieuwe manier van kijken, de vestignomonie. Een reactie op de fysiognomie waarvan de aanhangers beweerden dat ze uit iemands gelaatstrekken zijn karakter konden afleiden. Nee, zei Balzac: de manier waarop iemand zich kleedt is doorslaggevend. Hij beweerde dat hij aan de kleding kon zien of iemand arts was of edelman, een student uit de buurt van de Marais, Saint-Germain of het Quartier Latin. Zélf kleedde Balzac zich extravagant maar niet altijd met het resultaat waarop hij hoopte, hij had zijn figuur niet mee. Kort en dik. Bovendien verzorgde hij zich niet volgens de maatstaven van de dag. Iemand merkte op dat hij schitterende juwelen droeg op smerige hemden en dat zijn opzichtige diamanten ringen vloekten om zijn vieze, ongewassen vingers. Hij schreef uitvoerig over stropdassen en hoe deze gedragen moesten worden en had uitgesproken gedachten over het belang van handschoenen, neergelegd in Étude de moeurs par les gants.

Balzac figureerde in een belangwekkende periode, de overgang van de pre-industriële naar de industriële stad. Door de Franse revolutie waren de oude onderscheidingen tussen de standen afgeschaft, officieel tenminste, en kon je niet meer op de vertrouwde manier vaststellen of je met een kantoorklerk of bankier te maken had. Balzac gaf les in een nieuwe manier van kijken, zou je kunnen zeggen en zulke lessen zijn in de loop der jaren steeds belangrijker geworden. In moderne steden vallen er nauwelijks nog verschillen te zien in ‘burgerkleding’; de mode verandert zo razendsnel dat alleen ‘specialisten’ zulke veranderingen nog kunnen interpreteren. Zou Balzac, hoe scherpzinnig hij ook geweest mag zijn, aan de scheuren in een spijkerbroek kunnen zien uit welk stadsdeel de draagster afkomstig was?

 


Etnoloog van de Absolute Stadt

Lindner onderstreept wat belang van Balzac’s manier van kijken was: hij heeft ons gevoelig gemaakt voor het ontdekken van onderscheidingen. Wat hoort bij wie, wie hoort bij wie. Misschien is in moderne steden de oriëntatie op localiteit van eminente betekenis geworden, zoals Lofland beweert, maar het ontdekken van subtiele kenmerken in iemands uiterlijk is daarmee niet tot iets van ondergeschikt belang gedegradeerd. Het stedelijke leerproces is in de loop der tijd alleen maar ingewikkelder geworden.

 

illustraties
Rolf Lindner; bron: archiv.schader-stiftung.de
Honoré de Balzac; bron (2x): the100.ru
Lyn Lofland; bron: dctv.davismedia.org