Ik heb één keer in mijn leven min of meer direct contact gehad met Claude Lévi-Strauss. Ik dacht er aan toen ik in het laatste nummer van The New York Review of Books (13 februari 2020) een bespreking zag van twee nieuwe boeken over hem: een biografie en een analyse van zijn gedachtegoed. De recensie is geschreven door de filosoof Kwame Anthony Appiah die er geen twijfel over laat bestaan dat hij ter zake kundig is, hoewel hij met de filosofische Lévi-Strauss vertrouwder lijkt te zijn dan met de antropologische. Tja, je kunt als filosoof nu eenmaal niet alles weten en wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen.

Ging Lévi-Strauss in 1937 werkelijk op pad om antropologisch veldwerk te doen bij de Nambikwara-stammen van het uitgestrekte Mato Grosso in het westen van Brazilië, daartoe geïnspireerd door de grondleggers van de academische antropologie, Bronislaw Malinowski en Edward Evans-Pritchard?

Het zal in de biografie van Emanuelle Loyer die Appiah bespreekt ongetwijfeld aan de orde gesteld zijn, maar een beetje eigenaardig is het wel om Lévi-Strauss in één adem te noemen met twee van zulke ‘oer-antropologen’. Malinowski verbleef in Australië toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en zou als Pool in feite gevangen moeten worden gezet in een kamp, samen met andere onderdanen van vijandige naties. Maar zijn academische vrienden wisten een alternatieve oplossing voor hem te realiseren: stuur hem op expeditie naar de afgelegen Trobriand-eilanden, hielden ze de autoriteiten voor, dan is hij uit het zicht en brengt hij een gebied in kaart waar je als Australische overheid misschien nog je voordeel mee kunt doen. De ‘verbanning’ leverde uiteindelijk een klassiek antropologisch meesterwerk op: The Argonauts of the Western Pacific, gebaseerd op een jarenlange grondige observatie van het doen en laten van deze ondernemende zeevaarders. Een pregnant aspect van hun cultuur is de zogenaamde Kula Ring, waarbij geschenken van het ene eiland naar het andere worden gebracht en er in een soort ruilrelatie bruiden voor terugkomen. Het is een ingenieuze manier om verbanden te bewerkstelligen in een samenleving die bestaat uit talrijke geïsoleerde eilandjes.

Evans-Pritchard, die overigens een grondige hekel had aan Malinowski, is vooral bekend geworden door zijn werk onder de Azande en de Oost-Afrikaanse Nuer, een volk van trotse, nomadische veehoeders. De antropoloog laat zien hoe de potentieel vijandelijke segmenten (lineages) van deze samenleving—dikwijls geteisterd door droogten en een grote schaarste aan graasgebieden voor hun koeien—zich aanéénsmeden als er zich een dreiging van buitenaf voordoet. Ook deze onderzoeker heeft jaren doorgebracht bij ‘zijn’ volk.

De wijsheden van Evans-Pritchard

De ‘ongeciviliseerde’ stammen van Lévi-Strauss, zoals hij ze noemde, waren te vinden over een gebied van duizenden vierkante kilometers. Hier kon je je niet vestigen zoals Malinowski en Evans-Pritchard bij ‘hun volken’ hadden gedaan, vond de onderzoeker, maar diende je een eigen benadering te vinden. Welnu, Lévi-Strauss rustte een omvangrijke expeditie uit voor zijn eerste ‘veldwerk’. Niet alleen nam hij zijn echtgenote Dina mee, maar ook de natuurkundige J. A. Vellard en een loodzware uitrusting; 20 assistenten maakten deel uit van het gezelschap, waaronder tolken die met de Nambikwara overweg konden, maar verder alleen Portugees spraken, een taal die Lévi-Strauss nauwelijks machtig was, vijftien muilezels, dertig ossen, geweren en een massale hoeveelheid munitie en, tenslotte, een vrachtwagen met voedsel. Appiah schrijft: het was een expeditie in de stijl van Sir Richard Burton, of misschien wel Fitzcarraldo.

De caravaan van onderzoekers (‘ontdekkingsreizigers’, wilde ik bijna schrijven) was vaak omvangrijker dan de groepjes ‘onderzochten’ en bleef uit angst voor allerlei gevaren nergens langer dan een paar dagen hangen. Lévi-Strauss rapporteerde aan een vriend: Ik schrijf je temidden van een groep van vijftien poedelnaakte mannen, vrouwen en kinderen (jammer, omdat hun lichamen niet bepaald mooi zijn) die bijzonder gastvrij zijn, zij het dat dezelfde groep (en waarschijnlijk dezelfde individuen) een paar jaar geleden een Protestantse zendingspost heeft afgeslacht. Het is duidelijk: anders dan Malinowski en Evans-Pritchard kon Lévi-Strauss het niet goed vinden met ‘zijn’ primitieven. Dat was overigens wederzijds: de onderzoeker was bepaald niet populair in de Mato Grosso, voor zover hij zich tenminste heeft laten zien.

De expeditie was na zes maanden voorbij. Lévi-Strauss had méér dan genoeg gezien. Appiah merkt over zijn werkwijze op: hij bracht vier dagen door bij de Mundé, maar trok verder met indringende visies op hun verwantschapsstelsel en verwantschapsterminologie. En de recensent sluit af met een (onbedoelde?) dodelijke opmerking: The ferocious autodidact, one senses, would slot his schemas wherever they would stick. Lévi-Strauss heeft het bij deze ene ervaring ‘in het veld’ gelaten.

 

De veldwerker in zijn nadagen

Zijn reputatie is gebouwd op de abstracte, quasifilosofische modellen en theoretische noties die hij wist af te leiden uit antropologische en andere literatuur. Zoals veel Franse filosofen klinkt zijn werk—in bepaalde oren—buitengewoon gewichtig en geleerd, maar is de relatie tot de sociale werkelijkheid ver te zoeken. De Nederlandse antropoloog André Köbben schreef in zijn De weerbarstige waarheid over de taal als retorisch wapen bij Lévi-Strauss: hooggestemd, maar duister en ondoorgrondelijk. Ik neem tenminste aan dat de bewondering die zovelen voor hem koesteren ook met zijn manier van schrijven te maken heeft. Lezers zijn blijkbaar geneigd te denken: ik begrijp het niet helemaal (of helemaal niet), die man moet dus wel onmetelijk geleerd zijn. Een bijkomend voordeel is dat je bij kritiek altijd kunt zeggen dat je verkeerd begrepen bent. En Köbben voegt toe: Lévi-Strauss—voor zover hij zich tenminste verwaardigt op kritiek in te gaan—heeft zich van die mogelijkheid herhaaldelijk en zonder schaamte bediend. De Britse antropologe Francis Korn heeft ooit een serieuze poging gedaan het taalgebruik van Lévi-Strauss te ontleden. Ze had zich voorgenomen om precies na te gaan hoe hij zijn termen hanteert, zijn betoog opbouwt en zijn bronnen gebruikt. De uitkomst was ontluisterend, schrijft Köbben, van zijn analyse bleef weinig heel… maar het heeft haar jaren studie gekost om die conclusie te kunnen trekken.

 

André Köbben: gewichtig en ondoorgrondelijk

 

Ik kom nu terug op de eerste zin van dit stukje, mijn eigen contact met Lévi-Strauss. Eind jaren zestig was ik betrokken bij eenzelfde project als dat van Francis Korn. Onder leiding van mijn toenmalige ‘baas’ André Köbben, zijn mijn toenmalige collega Jojada Verrips en ik vele maanden bezig geweest een stelling van Lévi-Strauss te onderzoeken. In zijn prestigieuze Huxley Memorial Lecture (1964) had hij gesproken over de zogenaamde Crow-Omaha verwantschapssystemen. De namen zijn ontleend aan de Indiaanse stammen met zulke systemen, maar in de rest van de wereld zijn ze nogal zeldzaam. Kenmerkend voor het Omahastelsel is dat er één term gebruikt wordt voor alle vrouwen en meisjes in de mannelijke lijn (het Crowstelsel is een spiegelbeeld): dus niet alleen voor je biologische moeder en haar zusters, maar ook voor de dochters van moeders broeder en zelfs voor de dochters van moeders broeders zoons dochter. Je kunt dus, bij voorbeeld, een meisje van tien ontmoeten die je aanspreekt als ‘moeder’. Lévi-Strauss beweerde dat samenlevingen met zo’n terminologie een sprong vooruit betekenen in de evolutie van de mensheid.

De redenering die hij hierbij toepast is buitengewoon ingewikkeld, en ons ‘driemanschap’ is maanden bezig geweest met de ontleding van de stelling. Ik herinner me nog levendig dat Jojada en ik onze werkkamer van onder tot boven hadden volgehangen met schema’s van alle bekende verwantschapsstelsels ter wereld. We waren diep gedoken in wat door antropologen wel de ‘verwantschapsalgebra’ wordt genoemd: voor buitenstaanders doorgaans volstrekt onbegrijpelijke systemen van terminologie en organisatie. Onze conclusie was glashelder: samenlevingen met een Crow-Omahastelsel nemen op geen enkele manier de bijzondere plaats in de geschiedenis van de mensheid in die Lévi-Strauss ze had toegedacht. Bovendien spraken we onze verbazing erover uit dat iemand zo’n uitspraak durft te doen op basis van louter verwantschapstermen, zonder de samenlevingen waar die termen gebezigd worden bij de beschouwing te betrekken.

Om een parallel te trekken: in een hoogontwikkelde, geïndustrialiseerde samenleving als de Nederlandse heerst een bijzonder simpel verwantschapsstelsel. We onderscheiden vader en moeder, maar hun broers en zusters heten allemaal oom of tante, er wordt geen onderscheid gemaakt naar de vaderlijke of moederlijke lijn. De kinderen van ooms en tantes zijn neven en nichten en daarbuiten zijn het ‘achterneven’ en ‘achternichten’. Primitiever kan het niet en bestaat het ook niet. Het is niet toevallig dat dit verwantschapssstelsel ‘Eskimo’ wordt genoemd, want zulke stelsels vind je juist daar in hun zuiverste vorm. Maar het zou dus nogal onrealistisch zijn om louter op basis van dat stelsel de Inuit en, zeg de Duitsers, op één lijn te stellen als knooppunten in de menselijke geschiedenis.

We hebben de resultaten van ons onderzoek gepubliceerd in een toonaangevend Amerikaans antropologisch tijdschrift (Ethnology) en, zoals je dat onder beschaafde geleerden doet, een overdruk van het stuk toegestuurd aan Lévi-Strauss. Ik zal nu de inhoud van mijn contact met de grote goeroe onthullen. Per kerende post kregen we een briefkaartje terug met de volgende inhoud: to acknowledge with thanks the receipt of your paper with which I most utterly disagree! Cordially, Claude Lévi-Strauss. Het leek op een voorgedrukt kaartje dat wel meer werd rondgestuurd; we moesten er hartelijk om lachen.

 

illustraties

Claude Lévi-Strauss; bron: youtube.com en idolnetworth.com
E. Evans-Pritchard; bron: azquotes.com
André Köbben; bron: nsv-sociologie.nl