Martin Filler is een alom gerespecteerd architectuurkenner, hoewel hij soms gevoelig op de vingers is getikt. Ook door architecten over wie hij heeft geschreven. In 2014 en 2015 hing hem een zware dreiging boven het hoofd. In The New York Review of Books, zijn ‘thuisbasis’, had hij geschreven dat er minstens duizend arbeiders doodgevallen waren bij de bouw van het Al Wakrah-project, de nieuwe hoofdstad van Qatar. De verantwoordelijke architect, Zaha Hadid, nam een advocaat in de arm en begon een rechtszaak. Filler schreef op het laatste moment een rectificatie en kwam weg met een fikse boete, door Hadid gestort op de rekening van een goed doel. Hij raakte ook gebrouilleerd met Rem Koolhaas over wie hij onjuiste informatie zou hebben verstrekt. Maar Filler verdedigde zich verontwaardigd en merkte op dat hij zijn gegevens had betrokken van Wikipedia en dat Koolhaas er dan zélf maar voor had moeten zorgen dat alle feiten correct waren weergegeven. In het jongste 10 mei-nummer van The New York Review bekent Filler met schaamte een andere zonde, uit zijn jeugd. Hij was een teenage Yamasaki addict, schreef hij in zijn recensie van een recente Yamasaki-biografie.

Dit soort kleinere en grotere incidenten tekent de wereld van de architectuur, ook in Nederland stijgt de opwinding soms tot hoge toppen. Méér dan bij andere vormen van kunst? Dat zou best kunnen. Een schilderij ziet lang niet iedereen—een gebouw of stadswijk is daarentegen openbaar, bedoeld voor algemeen gebruik. Maar als iemand zich schaamt omdat hij ooit, tientallen jaren geleden, idolaat was van de ‘verkeerde architect’, zal dit toch eerder gelden voor de gemengde gevoelens die een individuele architect als Minoru Yamasaki oproept dan voor de architectuur in het algemeen. Denk ik. Ook Le Corbusier is omgeven met felle controverses. Omdat Filler blijkbaar duidelijk afstand genomen heeft van zijn jeugdige onbezonnenheid, kan hij zich weer in fatsoenlijk gezelschap vertonen. Opmerkelijk dat het werk van Yamasaki herhaaldelijk tot overeenkomstige geloofsafval aanleiding heeft gegeven. Ada Louise Huxtable van de New York Times, de ‘moeder’ van de Amerikaanse architectuurkritiek, prees Yamasaki’s Robertson Hall—het gebouw van de befaamde Woodrow Wilson School of Public and International Affairs, Princeton University—aanvankelijk de hemel in. Maar tien jaar later noemde ze Robertson Hall een voorbeeld van de acrobatic novelties and vacuous vulgarities van de naoorlogse campusarchitectuur. In haar kritiek op Yamasaki’s ‘levenswerk’, het World Trade Center, maakte ze het af: de pietepeuterigste architectuur voor de twee hoogste gebouwen van de wereld.

 


Ada Louise Huxtable na het ontvangen van de Pullitzer Prize op de redactie van de NYTimes

Ik heb op deze plaats al eens over Yamasaki geschreven, vooral in verband met zijn beruchte Pruitt-Igoe Apartments-project in St. Louis. In minder dan twintig jaar na de voltooiing  was dit monument van sociale woningbouw rijp voor de sloop: op 15 juli 1972 werd het opgeblazen. De architectuurhistoricus Charles Jencks beschouwde dit drama als de dood van de moderne architectuur. Hij schreef dat het project volkomen gevandaliseerd was door de (zwarte) bewoners. Hoewel de plaatselijke autoriteiten miljoenen hadden besteed aan reddingspogingen — schilderbeurten, herstel van kapotte liften, vervanging van gebroken glas—it was finally put out of its misery.  Hij zag de mislukking van het project als het falen van de architectuur als zodanig: moderne hoogbouw leidt tot sociale wantoestanden, een gedachte die sindsdien gemeengoed geworden is. Dezelfde geluiden kon je ook in Nederland horen toen een groot deel van de Bijlmerflats werd gesloopt, er was geen redden meer aan. Maar we hadden beter kunnen weten—de problemen hadden op zichzelf weinig van doen met de architectuur, deste meer met de selectie van de bewoners, het tekort aan fatsoenlijk onderhoud en het wegvallen van de sociale dienstverlening en het toezicht. In de Verenigde Staten werden de noodzakelijke fondsen liever besteed aan de oorlogsvoering in Vietnam; het programma van de Great Society waaruit Pruitt-Igoe voor een groot deel betaald zou worden, werd uitgekleed. Filler maakt melding van de documentaire The Pruitt-Igoe Myth uit 2011. Daarin laat filmer Chad Freidrichs een aantal van de oorspronkelijke bewoners aan het woord—zwarte Amerikanen die enthousiast waren over hun nieuwe woonomgeving, een enorme vooruitgang vergeleken met de barre woonsituatie waaruit ze afkomstig waren.

 


De befaamde Rainier Tower (Yamasaki)

Filler laat zien dat architecten van wolkenkrabbers (en ik vermoed dat het daarbij niet blijft) zo beperkt zijn in hun mogelijkheden dat ze weinig anders kunnen doen dan wat versieringen aanbrengen aan de buitenkant. Yamasaki heeft dat vanzelfsprekend ook ondervonden. Alle kosten zijn tot op de cent nauwkeurig van te voren bepaald en de accountants zijn de toezichthouders bij de bouw. Iedere beslissing over het ontwerp is onderhevig aan een overvloed van bureaucratische regels en bij de besluitvorming zijn vaak tientallen instellingen betrokken: brandweer, politie, waterleidingbedrijven, elektriciteitsmaatschappijen, vertegenwoordigers van allerlei belangengroepen, milieubepalingen en wat al niet. The countless mandated requirements make one wonder how any architect could juggle so many competing demands, zegt Filler. Om nog maar te zwijgen van het magere budget per wooneenheid.

Yamasaki was ooit een volgeling van Mies van der Rohe en een trouw discipel van de zogenaamde International Style. Na een studiereis door Europa en Japan halverwege de jaren 1950, sloeg hij zijn eigen weg in. Hij putte uit historische voorbeelden en kreeg aandacht voor ornamentiek en sprak zich uit tegen de monotonie van modernistische bouwblokken—een vloek in de ogen van de gangbare architectenpraktijk. Yamasaki besteedde veel zorg aan zaken als lichtinval. Hij pleitte voor een drastische verkleining van de glasoppervlakten in hoge gebouwen: je moet als gebruiker van het gebouw niet voortdurend bang hoeven te zijn dat je naar beneden kukelt. De ramen van het World Trade Center waren schouderbreed: als je naar buiten keek, had je houvast aan de lijst. Het percentage glas was niet meer dan 30%, tegenover de 60% die voorgeschreven was in gebouwen van de architecten uit de school van de International Style.

 


Het versierde World Trade Center

Martin Filler onderstreept dat Yamasaki misschien eerder ingenieur was dan architect, een geluid dat je ook kunt horen in de ‘biografie’ van het World Trade Center door Angus Kress Gillespie: Twin Towers. The Life of New York City’s World Trade Center. De buitenmuren van WTC bestonden uit enorme stalen buizen. Dat was niet alleen bedoeld voor de weerbaarheid van het gebouw, ook voor een zo groot mogelijke kantooroppervlakte aan de binnenkant. Desondanks duurde het niet meer dan ongeveer een uur voordat de torens instortten na de terroristische aanval op 9/11, de een iets korter, de tweede iets langer. Inderdaad erg kort, maar toch tijd genoeg voor naar schatting zo’n 17.000 mensen om het vege lijf te redden. Dankzij Yamasaki’s knappe constructiewerk was dit goed beschouwd een wonder—het aantal doden zou aanzienlijk hoger zijn uitgevallen bij een soortgelijke aanval op een ‘normale’ wolkenkrabber. Overigens heeft Yamasaki het opblazen van nóg een groot project van zijn hand niet meer meegemaakt. En uiteindelijk is er voor Filler misschien toch weinig reden om zich nog steeds te schamen voor zijn jeugdzonde.

 

illustraties
Rainier Tower; bron: dezeen.com
Versieringen op WTC; bron: greatbuildings.com
Minoru Yamasaki; bron: en.wikipedia.com