Rick Stein herinnert zich van zijn tijd in Oxford, het waren de jaren zestig, dat je serieuze poëzie moest lezen—T. S. Eliot’s Waste Land, bij voorbeeld. Daaruit kon je citeren om indruk te maken op de meisjes. Die lazen zelf trouwens bij voorkeur teksten van Leonard Cohen. Hij was de enige die John Betjeman las, al sinds zijn zestiende. Hij voelde een grote verwantschap met de dichter: ze hadden beiden Duitse voorouders, hadden op een chique kostschool gezeten en in Oxford gestudeerd. Maar het belangrijkste was, misschien, hun beider liefde voor Cornwall. Stein’s ouders brachten de zomers door in Padstow, Betjeman verbleef tijdens de Paasvakanties en ’s zomers aan de overkant van de Camel in Trebetherick, bij Polzeath. Hij ligt begraven bij een piepklein kerkje, St Enodoc Church. Vanaf Polzeath heeft Betjeman ontelbare keren uitgekeken over de Atlantische Oceaan. Ook in de winter:


Far down the beach the ripples drag
Blown backward, rearing from the shore,
And wailing gull and shrieking shag
Alone can pearce the ocean roar.

Unheard, a mongrel hound gives tongue,
Unheard are shouts of little boys:
What chance has any inland lung
Against this multi-water noise?

Here where the cliffs alone prevail
I stand exultant, neutral, free,
And from the cushion of the gale
Behold a huge consoling sea.

Stein is restaurateur, zijn zaak in Padstow trekt klanten uit heel Engeland—het havenstadje wordt wel eens spottend Padstein genoemd. Hij is tevens kok en presentator van talrijke tv-programma’s over eten, liefst op exotische plekken. Daarin lijkt hij dus ook op Betjeman die befaamd was door zijn documentaires over Britse architectuur, met door hemzelf uitgesproken commentaar in dichtvorm. Tien jaar geleden presenteerde Stein Betjeman and Me: Rick Stein’s Story, de film werd onlangs opnieuw door de BBC uitgezonden. Stein loopt langs het strand en bezoekt de plekken waar Betjeman’s voetstappen liggen, praat met mensen die de dichter nog hebben gekend of zich speciaal in het leven en werk van Betjeman hebben verdiept—zoals de oude man die al vijfentwintig jaar Betjeman’s gedichten declameert voor toeristen die een pelgrimage ondernemen naar Betjeman’s graf. We weten vrijwel alles over het leven van de dichter, zegt Stein, maar helemaal niets over Betjeman’s voorkeuren voor voedsel. Het programma loopt uit op een smakelijke lunch in de tuin van Stein’s restaurant; oude vrienden schuiven aan en halen herinneringen op aan de in 1984 gestorven, voormalige Poet Laureate.

In zijn Cornish Poetry, stelt Stein, haalt Betjeman de essentie naar boven van het Britse vakantiegevoel, the sheer joy of being by the sea. Misschien in het bijzonder voor het tijdperk van tussen de twee wereldoorlogen. Alles draait om tennis, golf, paardrijden, het nieuws van 6 uur en de lime juice met gin. Een kenmerk van Betjeman’s poëzie is de spot, de Engelse middenklasse wordt in haar rituelen en bezigheden te kijk gezet, meestal mild en vol mededogen. Stein leest als voorbeeld Hunter Trials voor en barst tijdens het lezen voor de camera in een schaterlach uit.

It’s awf’lly bad luck on Diana,
her ponies have swallowed their bits;
She fished down their throats with a spanner
And frightened them all into fits.

So now she’s attempting to borrow.
Do lend her some bits, Mummy, do;
I’ll lend her my own for to-morrow,
But to-day
I’ll will be wanting them too.

(…)
Oh, it’s me now. I’m terribly nervous.
I wonder if Smudges will shy.
She’s practically certain to swerve as
Her pelham is over one eye.

Oh, wasn’t it naughty of Smudges?
Oh, Mummy, I’m sick with disgust.
She threw me in front of the Judges,
And my silly old collarbone’s bust.

Je zou ook kunnen denken aan het bekende ‘Liefdeslied van een onderofficier’, een smachtende bede aan Miss J. Hunter Dunn.

Love-thirty, love-forty, oh! weakness of joy,
The speed of a swallow, the grace of a boy,
With carefullest carelessness, gaily you won,
I am weak from your loveliness, Joan Hunter Dunn.

In How to Get On in Society laat Betjeman de nerveuze voorbereidingen zien voor een etentje met belangrijke relaties.

Phone for the fish-knives, Norman,
As Cook is a little unnerved;
You kiddies have crumpled the serviettes
And I must have things daintily served.

Are the requisites all in the toilet?
The frills round the cutlets can wait
Till the girl has replenished the cruets
And switched on the logs in the grate.

Toch is het niet alleen maar onbezorgde vrolijkheid in Betjeman’s gedichten, zoals Rick Stein de kijkers een beetje al te nadrukkelijk wil doen geloven. Zijn poëzie is dikwijls onmiskenbaar light, maar heeft soms uitgesproken sombere ondertonen, is af en toe weemoedig en zelfs verontrustend. Het landschap van Cornwall kan je ontroeren en droevig stemmen.

The sky widens to Cornwall. A sense of sea
Hangs in the lichenous branches and still there’s light.
The road from its tunnel of blackthorn rises free
To a final height,

And over the west is glowing a mackerel sky
Where opal fleece has faded to purple pink.
In this hour of the late-lit, listening evening, why
Do my spirits sink?

The tide is high and a sleepy Atlantic sends
Exploring ripple on ripple down Polzeath shore,
And the gathering dark is full of the thought of friends
I shall see no more.

(…)

 

In de mist boven Port Isaac Bay, op een grimmige dag in oktober, denkt Betjeman aan haat en nijd en ziet hoe de loodgrijze oceaan geen kracht meer heeft om golven op te tillen.

I watch it crisp into its height
And flap exhausted on the beach,
The long surf menacing and white
Hissing as far as it can reach.

The dunlin do not move, each bird
Is stationary on the sand
As if a spirit in it heard
The final end of sea and land.

And I am on my volcano edge
Exposed to ridicule and hate
Still do not dare to leap the ledge
And smash to pieces on the slate.

 

Betjeman betreurt de stank van fish and chips, de rotzooi die in zee wordt gesmeten, lege zakjes van chips, plastic afval–de onvermijdelijke producten van het massatoerisme. Er steekt woede in hem op:

One day a tidal wave will break
Before the breakfasters awake
And sweep the cara’s out to sea,
The oil, the tar, and you and me,
And leave in windy criss-cross motion
A waste of undulating ocean
With, jutting out, a second Scilly,
The isles of Roughtor and Brown Willy.

Mooi dat Rick Stein poëzie en eten met elkaar in verband brengt. Hij maakt ter ere van zijn held Betjeman een lunch met oesters, vispastij, krab–betrokken van lokale vissers– en veel champagne. Feestelijk en ongetwijfeld heerlijk, maar een ode aan Betjeman mag ook stemmig zijn, en vol melancholie.

 

Illustraties:
Foto’s van Engelse kust genomen door Lodewijk Brunt (copyright)