Heterolinguïsme

Goed beschouwd is meertaligheid een misleidend begrip: het verschijnsel dat in (literaire teksten) afwijkingen voorkomen van de standaardtaal. Is er wel ooit sprake van een standaardtaal? Talen veranderen onophoudelijk, niet alleen door het opnemen van nieuwe woorden en begrippen—en het verdwijnen van oude woorden en begrippen—, maar ook in de grammatica, uitspraak, betekenissen. Om dicht bij huis te blijven: de jonge auteur Geert van Zandbrink wijdt een boekje aan het Grieks en Latijn: Linea recta naar het eind van je Latijn (en een beetje Grieks). Het is een liefdesverklaring aan de zogenaamde klassieke talen, geschreven door een bevlogen gymnasiast, maar zoals de auteur stipuleert: het boek gaat eerder over het Nederlands; die taal zit vol met Griekse en Latijnse elementen, en het is vooral dàt wat hij wil laten zien. En wat voor het Nederlands geldt, gaat ook op voor een reeks van andere talen. Voor het gemak doen we maar alsof talen gestandaardiseerde, unieke en afgeronde eenheden kunnen zijn, ‘standaardtalen’ dus.

Een wereld waarin verschillende talen niet met elkaar in aanraking komen is bijna niet voor te stellen (hoe graag sommigen dat ook zouden willen), staat in de inleiding tot het laatste nummer van Filter (jaargang 25, no. 3, september 2018) dat gewijd is aan Kussende tanden & het vertalen van meertalige tekst. Meertalige teksten vormen voor vertalers vaak moeilijke opgaven en Filter, het onvolprezen vaktijdschrift voor vertalers, brengt een zestal doorwrochte beschouwingen over het verschijnsel, uitvoerig toegelicht met concrete voorbeelden. De kern van het probleem van meertaligheid voor de vertaler (en uiteraard in het algemeen: de lezer) is dat afwijkingen van de standaardtaal zich altijd op een specifieke manier tot die standaardtaal verhouden en die verhouding is juist betekenisvol. Dat valt in een andere taal vrijwel niet na te bootsen, want daar liggen de verhoudingen nu eenmaal anders.

In de bijdrage van Rainier Grutman worden verschillende scenario’s onderscheiden. De auteur spreekt overigens liever van heterolinguïsme dan van meertaligheid: het gaat immers niet altijd om officiële standaardtalen, maar ook om dialecten, sociolecten, slang, vaktaal of zelfs verzonnen talen. Een tweede reden voor Grutmans eigen terminologie is dat het bij teksten meestal gaat om één overheersende taal (hij noemt dit de matrijstaal) waar elementen van andere talen zijn ingevoegd. Soms betreft het maar een paar woordjes, soms hele alinea’s. In de praktijk nemen vertalers uiteenlopende beslissingen over hoe je met de heterolinguïstiek omgaat.

  1. het behouden van anderstalige passages. Dit is de optie van non-translation.
  2. de passages verbloemen door ze om te zetten in de doeltaal (de taal waarin vertaald wordt). Het nadeel spreekt voor zichzelf, zoals Grutman zegt: de oorspronkelijke dialoog tussen de talen wordt aangetast of zelfs uitgewist.
  3. de bewuste passages wél in de oorspronkelijke vorm weergeven, maar ze ‘omkaderen’ met een vertaling – ofwel in de tekst zelf, ofwel in een voetnoot.
  4. het anderstalige element ‘verschuiven’, zoals Grutman het noemt, bij voorbeeld door een idioom in te lassen dat zich in de doeltaal net zo zou manifesteren als in de brontaal (de taal waaruit wordt vertaald). Ik herinner me de Nederlandse vertaling van een boek dat zich afspeelt in het diepe Zuiden van de Verenigde Staten, waarin het ‘zwarte’ dialect is vertaald met een kinderlijk soort brabbeltaaltje. Ergeniswekkend.

Van alle vier de vertaalstrategieën ken ik voorbeelden, maar van de laatste geen enkele die je geslaagd zou kunnen noemen.

Ik ben in het onderwerp geïnteresseerd als vertaler. Op deze plek heb ik al eerder geschreven over het vertaalwerk dat ik doe met mijn medevertaler Dr Dick Plukker van het Amsterdamse India Instituut. Onze brontaal is het Hindi, onze doeltaal het Nederlands. We hebben poëzie vertaald, een novelle, filmliedjes, zogenaamde ‘zeer korte verhalen’ geschreven door een keur van verschillende schrijvers en sinds enige tijd houden we ons bezig met een bundel korte verhalen door één auteur: De blauwe sjaal (voorlopige titel) van Anu Singh Choudhary, een paar jaar geleden in India verschenen en verschillende keren herdrukt. De verhalen spelen zich af in het milieu van de stedelijke middenklasse, misschien moet je zeggen: de creatieve klasse. Kunstenaars, architecten, filmers, schrijvers, cameralieden. De omgeving is grootsteeds, veelal Delhi, soms Mumbai.

De matrijstaal is Hindi, op zichzelf ook een duidelijke ‘mengtaal’  van Sanskriet, Urdu en Farsi. Het anderstalige element is vooral Engels (ik ga voorbij aan dialecten). Bij onze vertaling hanteren we de strategie van de ‘niet-vertaling’: we laten in principe het Engels dus ongemoeid en nemen het gecursiveerd op in de tekst. Soms is dat moeilijk omdat het Engels ons als nogal ‘on-Engels’ toeschijnt. Soms is het moeilijk omdat het de tekst onrustig maakt: zinnen die steeds doorspekt zijn met Engelse woordjes lezen niet lekker. In het verhaal Samenwonen komt Avi voor die in de aantekeningen voor zijn dagboek schrijft over zijn gevoelens voor Naina. Zij is uit op duidelijkheid in hun onderlinge relatie en ze is veeleisend bovendien. Hij mijmert over lange liefdesromans die hij gelezen heeft waarin weliswaar een beginning, middle en end te vinden is, maar geen resolution. Bij zo’n toestand van onbestemdheid past hij beter dan in een situatie waarbij iemand steeds duidelijkheid van hem verlangt.

Anders dan weleens wordt gedacht, spreekt lang niet iedereen in India Engels. Het is een lingua franca voor de hogere kringen waar je verkeert met mensen uit uiteenlopende taalgebieden; in India bestaan meer dan 450 talen. Ik ben bevriend geweest met een echtpaar waarvan hij Bengali is en zij Marathi—onderling spreken ze Engels. Maar Engels wordt ook gesproken als teken van een hoge status en in huishoudens vaak om personeel en kinderen van bepaalde informatie buiten te sluiten. Dat het Engels een tweede taal is, vaak zelfs een eerste taal, blijkt ook uit de what’s app-berichtjes die Avi en Naina elkaar soms sturen (het verhaal Samenwonen wordt helemaal verteld aan de hand van zulke berichtjes en dagboekfragmenten).

Op 12 februari 2013 sturen ze elkaar berichtjes terwijl Avi thuis zit en Naina op haar werk. Ze heeft haar sleutels vergeten en vraagt of Avi een reservesleutel in de brievenbus achter wil laten. Hij dringt er op aan dat ze thuiskomt, want dan blijft hij ook thuis en maakt hij lamscurry voor de lunch. Maar Naina kan niet, de baas zeurt aan haar kop. We will have to skip it today, schrijft ze. Hij antwoordt grofweg: Show your middle finger to that idiot and come home. Ze weigert en deelt mee dat ze pas ’s avonds laat thuiskomt. It’s your turn to wait now, voegt ze eraan toe—ze heeft de hele week tot na middernacht op hem zitten wachten. Ben je dan zó vindictive?, reageert hij en hij stelt vast dat het een treasure hunt is om haar te leren kennen. You are a mysterious woman, Naina.

Het gebruik van het Engels, juist ook in nogal intieme conversatie, drukt een superieure status uit: de beide protagonisten zijn ‘van de wereld’, goed opgeleid. Ze spelen met de Engelse taal en horen overduidelijk tot ‘ons soort mensen’. Avi kan zijn diepste verlangens alleen maar onder woorden brengen in dichtvorm: hoogdravende liefdesgedichten van Keki N. Daruvala… in het Engels. In vergelijking daarmee is het Hindi ‘gewoontjes’, een huis-, tuin-, en keukentaal. Dr Plukker en ik hebben gekozen voor non-translation, maar dat heeft zijn risico’s. In het Nederlands bestaat geen ‘elitetaal’ waarmee je je kunt onderscheiden van het gewone volk. Je moet dus als vertaler maar hopen dat die spanningsrelatie tussen het Hindi en het Engels voor een Nederlands lezerspubliek sprekend genoeg is.

 

By |2018-10-14T14:48:03+00:00zondag 14 oktober 2018|Categories: Blog|Tags: , , , |Reacties uitgeschakeld voor Heterolinguïsme