Ik kwam bij Gabriele d’Annunzio terecht door mijn belangstelling voor de Eerste Wereldoorlog – ik wist in mijn achterhoofd dat hij daarin een rol had gespeeld, maar details kende ik niet. Toen ik eerder dit jaar een recensie tegenkwam over The Pike. Gabriele d’Annunzio. Poet, Seducer and Preacher of War, geschreven door Lucy Hughes-Hallett, leek me dat een goede aanleiding mij in deze figuur te verdiepen. In de ondertitel werd al iets weggegeven over zijn betrokkenheid bij de oorlog, dus ik zou in de biografie zeker iets van mijn gading vinden.

Nu ik het leven van d’Annunzio enigszins tot me heb laten doordringen, zie ik dat dit een understatement was. Iets van mijn gading? Hughes-Hallett’s boek is niet minder dan een overdonderende ervaring. Zo’n boek dat je eigenlijk niet kunt neerleggen, maar waarin je ook niet meer dan twintig bladzijden kunt lezen zonder een flinke pauze om even op adem te komen. Het is prachtig geschreven en gecomponeerd, maar vooral: ze beschrijft het leven van een man – dichter, luchtvaartpionier, toneelschrijver, kunstminnaar, journalist, politicus, revolutionair, ideoloog, romanschrijver, redenaar, vrouwenversierder – dat iedere verbeelding tart. Alles aan hem was meer dan levensgroot, exorbitant, uitzinnig, absurd, fantastisch, ongelooflijk; behalve zijn lijfelijke gedaante: een onooglijk klein, kaal mannetje met één oog, lelijk als de nacht.

Als oorlogshitser werd hij gedreven door nationalistische sentimenten en door een verlangen naar herstel van het verloren Romeinse rijk, zoals veel Italianen uit zijn tijd (hij leefde in de laatste helft 19e eeuw, eerste helft 20e eeuw) beschouwde hij Oostenrijk als ‘erfvijand’ – de Eerste Wereldoorlog was voor Italië een uitgelezen kans om wraak te nemen voor alle vernederingen uit het verleden. Het duurde hem allemaal te lang voordat het Italiaanse leger gemobiliseerd was en deze vijand zou verpletteren. Hij dichtte:

Dit is jouw dag
dit is jouw uur
Italië
ongelukkig is hij die aarzelt
ongelukkig is hij die de teerling niet durft te werpen.

Zijn droom was om in een vliegtuig boven Wenen te cirkelen en de stad plat te gooien – hij is nooit verder gekomen dan strooibiljetten. Hij heeft wel boven slagvelden gevlogen, met de boordmitrailleur geschoten en bommen laten vallen; hij moet heel wat doden op zijn geweten hebben. Zelf hield hij er een blind oog aan over. Toch was hij nooit een reguliere militair, hij vloog mee als een soort eregast van de luchtmacht, iedere piloot vond het geweldig hem als passagier te hebben – een van de verbijsterende aspecten van d’Annunzio’s leven.

Tijdens de oorlog was hij ook een gevierde propagandist die de soms volstrekt gedemoraliseerde troepen aan het front bezocht – ook Italiaanse manschappen zuchtten onder incompetente generaals die verblind door eerzucht honderdduizenden jongens de dood instuurden, zonder enig zinnig doel of plan. Generaal Cadorna, aangeduid als Il Duce, hield de discipline in het leger op peil door zijn ‘decimale stelsel’: bij troepenverplaatsingen werd iedere tiende soldaat uit de rijen geplukt en voor de ogen van zijn kameraden gefusilleerd. ‘Dat zal ze leren’. d’Annunzio wist door gloedvolle redevoeringen de vechtlust weer een beetje op te peppen, hij hield er een levenslange warme band aan over met de Arditi, Italiaanse elitetroepen. Op het eind van de oorlog dreigde op sommige plekken muiterij – net als in het Franse leger – en toen was het maar beter dat d’Annunzio een beetje uit de buurt bleef.

De grote triomf kwam na de oorlog. Terwijl de geallieerden in Parijs aan het onderhandelen waren en Europa opnieuw indeelden, stoomde d’Annunzio op naar Fiume – de belangrijkste havenstad van het Hongaars-Oostenrijkse imperium. Het Italiaanse grondgebied moest worden uitgebreid – de oorlog was tenslotte niet voor niets gevoerd, dit waren de spoils. Hij bracht de Italiaanse onderhandelaars in diepe verlegenheid want de grote mogendheden, Amerika voorop, eisten dat Italië zich onmiddellijk zou terugtrekken. Fiume (tegenwoordig Rijeka) zou onderdeel moeten worden van het nieuw te vormen Joego-Slavië. Maar de Italiaanse politici durfden d’Annunzio niet aan te pakken: hij was in Italië populairder dan wie dan ook. Hij heeft het een tijd volgehouden, van heinde en ver stroomden enthousiaste volgelingen toe om mee te helpen bij de opbouw en verdediging van deze ‘revolutionaire enclave’. Fiume was de holocaust, het brandoffer voor Groot-Italië. In de woorden van d’Annunzio ‘de enige stad van de geest, de enige stad van het leven, de enige stad van wind en vuur’.

Pas tegen Kerstmis 1920 durfden politici het aan om een sterk uitgerust leger, onder generaal Cariglia, naar Fiume te sturen. Ze hadden bij het verdrag van Rapallo met Joego-Slavië overeenstemming bereikt over het Italiaanse karakter van Fiume – het zou een onafhankelijke stadsstaat worden, met Italië verbonden door een smalle landverbinding via Triest. Voorwaarde was dat d’Annunzio moest vertrekken als Duce van de stad – ondanks smeekbeden van vriend (waaronder de ambitieuze Benito Mussolini) en vijand dacht d’Annunzio er niet over te capituleren. Toen hij van de overeenkomst hoorde riep hij uit ‘dit is een regeling, geen overwinning!’. Zonder bloed was er voor hem geen oplossing, hij hechtte aan het martelaarschap. De feestdagen van 1920 werden een ‘bloedige Kerstmis’, Fiume werd van de zee en het land afgesloten en gebombardeerd. Ook het paleis van d’Annunzio, bij de haven, kwam onder vuur. Later beweerde hij dat alle vrouwen en kinderen de straat opgegaan waren om de vijandelijke troepen tegen te houden; ze hadden volgens hem geroepen ‘als jullie toch bombarderen, maak ons dan alsjeblieft dood, niet HEM!’, maar in feite waren groepen vrouwen naar de woning van d’Annunzio gekomen om hem te smeken zich over te geven om de kinderen te sparen. Hoewel d’Annunzio de wereld wilde doen geloven dat hij belaagd werd door Croataglia en door ‘smerige Slaven’ en ‘gore Servische varkenshoeders’, legde hij het af tegen de troepen van zijn eigen vaderland. Hij mocht overigens ongestraft vertrekken, zijn populariteit in Italië was onverminderd groot, niemand durfde hem aan te pakken.

De laatste jaren van zijn leven heeft de ‘dichter des Vaderlands’ doorgebracht in een kasteel bij het Gardameer – nu een toeristische trekpleister. Onder zijn vele minnaressen bevond zich Emy Huefler, een hoogblonde Nazispionne die in opdracht van Minister Von Ribbentrop in de gaten hield wat d’Annunzio zoal in zijn schild voerde. Ook Mussolini, vanaf oktober 1922 premier van Italië, had zijn spionnen in het kasteel rondlopen. Om d’Annunzio rustig te houden gaf de fascistische leider hem in vrijwel alles zijn zin, geld, vriendendiensten, wetgeving – hij wist dat d’Annunzio geen hoge dunk van hem had. In 1926 krijgt d’Annunzio, die dan al een kluizenaarsleven leidt, de rang van generaal.

Hughes-Hallett plaatst het leven van de grote dichter midden in de context van de Italiaanse politiek – leerzaam. Maar ook de persoonlijke sfeer van d’Annunzio wordt tot in detail geportretteerd. Ze lijkt geen overmatige sympathie voor de man te hebben – wat zo’n biografie deste bewonderenswaardiger maakt, want wie wil er zoveel tijd en moeite besteden aan iemand die je in allerlei opzichten tegenstaat? Haar weerzin blijkt overigens nergens op een storende manier, je merkt het alleen aan typisch Britse tongue-in-cheek terzijdes.

d’Annunzio was een ongehoorde narcistische ijdeltuit die prachtige dingen heeft geschreven, soms ergerniswekkende literaire bombast, voor een deel gestolen van andere schrijvers. Hij had een ‘naam’, kon altijd terecht bij de Corriere della Sera, schreef bovendien columns voor de kranten van het Amerikaanse Hearstconcern. Hij verdiende veel geld met zijn schrijfwerk, ook zijn romans en toneelstukken. Maar hoeveel hij ook verdiende, hij gaf het nog harder uit. Een dwangmatige big spender. Iemand uit zijn entourage zei: geld wordt hier niet uitgegeven, geld wordt hier weggesmeten. Hij huurde grote, dure huizen en liet ze onmiddellijk verbouwen tegen bedragen die ruimschoots voldoende waren geweest om de panden mee te kopen. Hij was altijd omgeven door een leger van binnenhuisarchitecten en ambachtslieden om zijn omgeving zo fraai en comfortabel mogelijk te maken. Niets was goed genoeg voor d’Annunzio, hij hield zeldzame honden en racepaarden – op de vloer van de paardenstallen lagen Perzische tapijten. De duurste parfums, kostbare zijde, uitzinnige lampenkappen, de bijzonderste kleurschikkingen. Hij hield van muziek, zijn huizen waren altijd verwarmd, winter en zomer, op tafel kwam alleen het beste fruit, vlees en groente. De centrale thema’s uit zijn werk waren snelheid – hij was een luchtpionier en reed altijd in de duurste en snelste auto’s die door de Italiaanse auto-industrie speciaal voor hem werden gemaakt – het nemen van levensgevaarlijke risico’s en zelfmoord. Het waren ook de thema’s uit zijn ‘echte’ leven.

Daar kwam de seksualiteit nog bij. Zoals hij dwangmatig geld uitgaf, zo versierde hij dwangmatig iedere vrouw die zich bij hem in de buurt waagde. Vanuit heel Europa stroomden vrouwen toe en je telde in toonaangevende kringen niet mee als je het nooit ‘met hem gedaan’ had. Ondanks zijn uiterlijk was hij – blijkbaar – onweerstaanbaar. Ook vrouwen die hij voor het eerst ontmoette kreeg hij binnen de kortste keren in bed, of ze getrouwd waren of ongetrouwd, jong of oud, onbetekenend of beroemd, arm of rijk. Vergeleken met d’Annunzio was Don Giovanni een armzalige scharrelaar.

Zijn relatie met de actrice Eleonora Duse haalde de wereldpers: zij was overal beroemd, maar had behoefte aan ‘goeie teksten’; die leverde hij, ze vierden er triomfen mee. Een glamourkoppel zoals je dat uit Hollywood kent: Marilyn Monroe en Arthur Miller, Richard Burton en Elizabeth Taylor, Bogart en Bacall, zoiets. In hun relatie kwam ook zijn peilloze wreedheid ongeremd naar boven. Hij vond haar oud en lelijk (hoor wie het zegt! hij was bovendien ouder dan zij) en weigerde seks met haar, als ze hem wilde spreken moest ze soms uren wachten voordat hij haar toeliet tot zijn werkkamer. In de stukken die hij voor haar schreef speelde ze een blinde vrouw, een mismaakte vrouw, een gekkin en een slachtoffer van moord. Het moet gezegd: zij liet zich niet onbetuigd en liet met passie over zich lopen – de perfecte sadistisch-masochistische twee-eenheid. Beiden waren volkomen humorloos. Een minnares beloofde hem: in de hemel wordt speciaal voor jou een octopus gereserveerd met duizenden vrouwenbenen – zonder hoofd.

Mussolini is voortdurend bang geweest dat d’Annunzio zijn populariteit zou ‘verzilveren’ door in de politiek te gaan – hij bleef tot het eind van zijn leven tot de verbeelding spreken van het grote publiek. Toen een telefoniste de fascistische bovenbaas in maart 1938 belde met de mededeling dat de grote dichter overleden was, hoorde ze een diepe zucht aan de andere kant van de lijn: ‘Goddank, eindelijk!’.

 

 

afbeeldingen van d’Annunzio:
postzegels van Fiume; bron: bigblue1840-1940.blogspot.com
portret; bron: nl.wikipedia,org