Begin dit jaar stond in The New Yorker een portret van ‘Howie’: de socioloog Howard S. Becker (12 januari 2015). Je bent geneigd om te denken ‘Goh, leeft die nog?’ … hij hoort al zo lang tot de klassieken van het vak dat je hem associeert met handboeken, terugblikken, jubilea en congressen. Maar inderdaad, hij leeft nog en is alive and kicking, diep in de tachtig. Toevallig was ik op de hoogte, want via Franse collega’s weet ik al jaren dat Becker in bepaalde kringen razendpopulair is. Zijn werk is in het Frans vertaald, hij geeft volop colleges en voordrachten en grote delen van het jaar woont hij in Parijs, waar hij leerlingen en bewonderaars ontvangt. Opmerkelijk – op het eerste gezicht zou je denken dat Beckers sociologie door Franse academici met opgetrokken neus zou worden beschouwd. Hij is geen theoreticus, integendeel: zijn werk berust op directe waarneming van ‘echte mensen’ – voor veel Fransen is dat ver van hun bed. Bovendien schrijft Becker in toegankelijke mensentaal, ook al geen aanbeveling in de Franse academische wereld.

De populariteit van Howie (‘alleen mijn moeder heeft me ooit Howard genoemd’) is de voornaamste aanleiding voor het artikel in The New Yorker, maar journalist Adam Gopnik graaft niet al te diep. Hij noemt Beckers laatste boek, What About Mozart, What About Murder,  alleen terloops; hij heeft een paar keer met Becker gesproken, is met hem gaan eten en beperkt zich vooral tot human interest. Ik sta stil bij het stuk omdat ik plotseling een paar opvallende overeenkomsten zag tussen Becker en de componist Philip Glass, van wie ik zojuist de autobiografie heb gelezen (voor mijn recensie: zie de website van Athenaeum Boekhandel, 20 april 2015). Die verwantschap had ik me nooit eerder gerealiseerd, het werpt misschien nog wat meer licht op een zeldzaam getalenteerd, invloedrijk cohort Amerikaanse culturele nieuwlichters dat in de jaren zestig, zeventig opkwam. Becker en Glass waren beiden joodse jongens van de tweede generatie, ongeveer even oud. In hun gezin van afkomst stond muziek in hoog aanzien, hoewel de piano ten huize van Becker vooral voor de sier diende. De jonge Howard heeft zichzelf op tienjarige leeftijd leren spelen, Philip kreeg muziekles, zij het op fluit, omdat zijn ouders geen pianoleraar konden betalen. Beide jongens gingen studeren aan de Universiteit van Chicago en hebben daar de beste herinneringen aan: een broeikas van jong talent – de leeftijdsgroep vóór hen vocht nog in Korea – zij kregen de ruimte. Keihard werken, dat wel. Becker speelde in bandjes om in zijn levensonderhoud te voorzien, hij verkeerde voornamelijk onder jazzmusici en artiesten uit de sector van enigszins schimmige nachtclubs – er kwamen daar veel patsers die handenvol dollars rondstrooiden, de naoorlogse economie was booming.

Beiden waren na hun studie sterk geneigd de muziek in te gaan – Philip ging naar de prestigieuze Juilliard School of Music; Howard bleef ook musiceren, maar besloot toch een proefschrift te schrijven en koos uiteindelijk, zij het wat aarzelend, voor een academische loopbaan; hij bleef wel nauw verbonden met de culturele sector, waar hij ook onderzoek verrichtte. De zielsverwantschap van beide mannen blijkt uit kleine details. Becker kreeg pianoles van de jazzmusicus – pianist en saxofonist – Lennie Tristano in New York. Philip Glass benaderde diezelfde Tristano toen hij net als leerling bij Juilliard was begonnen. Per telefoon vroeg hij of hij les kon krijgen. ‘Speel je jazz?’, ‘Nee’, ‘Speel je piano?’, ‘Ach, een beetje, ik studeer compositie’. ‘Nou, dan denk ik dat ik weinig voor je kan doen’. Jaren later ontdekte Glass dat hij desondanks onbewust altijd veel typische Tristano-invloeden in zijn composities had verwerkt. Becker en Tristano hebben steeds contact gehouden. Tristano volgde Beckers loopbaan als socioloog en heeft hem later nog eens proberen over te halen om zijn academische werk af te sluiten en beroepspianist te worden (‘Je kon goed spelen’). Ik heb geen idee of Glass en Becker elkaar kennen – ze moeten elkaar wel eens tegengekomen zijn, zou je haast zeggen.

Becker is de man van de outsiders: hoe komt ‘afwijkend gedrag’ tot stand? Hij baseerde zich op zijn eigen ervaringen met musici en drugsgebruikers in een tijd dat iedereen ervan uitging dat criminaliteit en ander ongewenst gedrag vertoond werd door mensen bij wie een steekje los zat. Normale mensen maakten de regels en wie zich daar niet aan hield was abnormaal, per definitie. Becker liet zien dat ook die ‘abnormale mensen’ zich wel degelijk aan de regels hielden… hun eigen regels. Een gedachte die nauw aansluit bij de centrale uitgangspunten van de sociologiebeoefening in Chicago, zoals bij voorbeeld het befaamde Thomas theorema: als mensen dingen voor wáár houden, dan zijn ze ook waar in al hun consequenties. Om te begrijpen wat mensen beweegt, moet je hun ‘definitie van de situatie’ zien te achterhalen en dan zie je dat gedrag – in de ogen van buitenstaanders wellicht afkeurenswaardig en vreemd – vaak veel ‘logischer’ en ‘rationeler’ is dan het zich liet aanzien.

Becker toont in zijn onvolprezen Outsiders aan dat je – om een doorgewinterde drugsgebruiker te worden –moet leren om bepaalde rollen te spelen. Je eerste joint smaakt smerig, je wordt er draaierig en lacherig van, maar door anderen begrijp je dat je high wordt, je krijgt de beschikking over een speciaal jargon, groepstaal, en over een speciaal fonds van gevoelens en lichamelijke reacties. Zo langzamerhand begin je een loopbaan in een bijzondere subcultuur en daar ben je helemaal in ondergedompeld als je je op zeker moment realiseert, dat je daarbuiten eigenlijk niemand meer kent, je bent een insider geworden. Dat je iets ‘fouts’ zou doen word je pas duidelijk als de buitenwereld je daarop wijst — bij monde van de morele ondernemers die de ‘normale maatschappij’ vertegenwoordigen, soms politiemensen, onderwijzers, dominees, rechters – zij plakken je het etiket op van ‘dief’, ‘junkie’, ‘mislukking’, idioot’. Op die manier ontstaat de kloof tussen insiders en outsiders.

Beckers sociologie is nauw verwant aan die van Erving Goffman – gestoeld op alledaagse ervaringen, nuchter, menselijk, evocatief. Dat maakt hem voor een bepaald soort Franse intellectuelen misschien zo aantrekkelijk – de Franse sociologie zucht al decennia onder de zware last van Bourdieu, een abstracte sociologie die voor velen een verkapte rechtvaardiging is van de conservatieve Franse elite en de maatschappelijke status quo. ‘Het fundamentele probleem van Bourdieu: hij was een kwal’, zegt Becker in The New Yorker. ‘Hij was streberig, achterbaks en geobsedeerd met roem en macht’. De Chicagosociologie is toegankelijk, gebaseerd op empirisch onderzoek, controleerbaar en daardoor navoelbaar.

Met het proces van etikettering hebben we uiteindelijk allemaal te maken. Ook Philip Glass. In zijn Words Without Music beschrijft hij zijn eerste openbare optreden in Europa, dat was in Amsterdam – hij is hier ter gelegenheid van een tentoonstelling van Richard Serra in het Stedelijk Museum – om geld te verdienen is hij werkzaam als Serra’s assistent, maar hij maakt van de gelegenheid gebruik om zijn eigen muziek te laten horen. Tijdens de uitvoering wordt het podium besprongen door een boerenkinkel die hard op de toetsen begint te rammen en uit de zaal klinken heftige protesten tegen de ‘ziekelijke tonen’ die Glass voortbrengt: ‘dat is toch geen muziek!!!’. De morele ondernemers proberen de componist tot een gevaarlijke gek te bestempelen – Glass beschrijft een klassieke situatie van etikettering. Becker had het niet beter kunnen doen.

 

illustraties:
Howard S. Becker; bron: newyorker.com
Philip Glass; bron: www.factmag.com