Bij een debat zou de historicus E.H. Kossmann over de Nederlandse nationale identiteit hebben gezegd: ‘Loop er liever met aandacht omheen. Bekijk het van alle kanten, maar stap er niet in, behandel het kortom als een enorme kwal op het strand’. Ik ontleen deze kennis aan een stuk in NRC Handelsblad (16 oktober 2014) van Bas Blokker. Het ging over Zwarte Piet en de vraag was: waarom lopen de gemoederen zo hoog op als het over die kwestie gaat? Het antwoord: Nederland zou een ingewikkelde verhouding hebben tot zijn nationale identiteit, ‘we doen spastisch over alles wat naar wezenlijke (in casu: godsdienstige) verschillen verwijst’. Hmm, niet bepaald een heldere verklaring. That begs the question, om het maar eens in onvervalst Nederlands te zeggen. Op gevaar af in de kwal te stappen, kun je je toch afvragen of er een Nederlandse nationale identiteit bestaat. Het begrip komt niet alleen ter sprake bij Sinterklaas, maar bij allerlei andere kwesties ook. ‘De tijden zijn ingrijpend veranderd en dat geldt ook voor de samenstelling van de bevolking’, zei Jacques Wallage onlangs, vicevoorzitter van het comité dat zich met de 4 meiherdenking bezighoudt. Hij vervolgde: ‘Onze samenleving is meer gefragmenteerd geraakt dan ooit en het is dan moeilijk om een gemeenschappelijke basis te vinden’.

Over Zwarte Piet heb ik al eerder op deze plaats geschreven – wat me eraan blijft verbazen is de ontkenning dat de figuur van Zwarte Piet ‘racistisch’ zou zijn, dan wel dat dit voor veel mensen blijkbaar geen rol speelt – het kan ze geen snars schelen of het racisme is. Maar me dunkt: racistischer dan Zwarte Piet kan bijna niet en als je dat verwerpelijk vindt moet je het afschaffen en niet via allerlei compromissen de kool en de geit proberen te sparen. Ik zal persoonlijk trouwens geen traan laten om het afschaffen of veranderen van Sinterklaas. Ik vind het ‘feest’ commerciële hysterie en ik erger me aan het feit dat kindertjes worden bang gemaakt met een Rooms-katholieke heilige uit Spanje. Kindervriend, ja, ja – we weten maar al te goed waar de heiligen uit Rome op uit zijn.

Ik ga niet verder in op deze kwesties, het is me te doen om de nationale identiteit als zodanig. Steeds wordt de suggestie gewekt dat deze de laatste jaren bedreigd zou worden – door de toevloed van immigranten uit de hele wereld, door algemene processen van mondialisering. Daar zijn wel wat kanttekeningen bij te maken. Nederland heeft een min of meer duidelijke administratieve identiteit; het gaat om een zelfstandige staat, met een eigen regering en burgers die recht hebben op een paspoort waarmee ze als dragers van de Nederlandse nationaliteit de wereld over kunnen reizen. Maar als je de identiteit vanuit andere perspectieven wilt zien, kom je al snel in problemen. Bestaat er zoiets als een Nederlandse ‘cultuur’, waarmee Nederlanders zich duidelijk onderscheiden van de Duitse cultuur of de Franse cultuur? Op die vraag hebben de argumenten van de voor- en tegenstanders van het Sinterklaasfeest, een nationale herdenking – of welke andere omstreden kwestie dan ook – veelal betrekking. Allerlei ongewenste invloeden van buitenaf zouden deze nationale identiteit ondergraven, zodat er van het ‘oude, vertrouwde Nederland’ niets meer overblijft. Vooral in kringen van VVD en PVV kun je die geluiden horen, maar ze zijn bepaald niet tot deze partijen beperkt.

Het idee van een gemeenschappelijke Nederlandse cultuur gaat volgens mij volstrekt voorbij aan diepgewortelde tegenstellingen die de bevolking van dit land altijd hebben verdeeld. Regionale tegenstellingen, bij voorbeeld. Het Westen van Nederland, vaak kortweg aangeduid als ‘Holland’, tegen de rest, of het Zuiden tegenover het Noorden. Het zijn tegenstellingen die berusten op uiteenlopende economische realiteiten. De werkgelegenheid en de economische motoren zijn te vinden in de driehoek Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven en dat is al zo sinds het begin van de industrialisering, maar in bepaalde streken vér daarvoor. Maar ook op religieuze verschillen: katholicisme versus calvinisme; taal- en dialectverschillen; verschillen in kosmopolitische oriëntatie: stad versus platteland. Veel van deze onderscheidingen zijn inmiddels misschien wat vervaagd en afgevlakt, maar andere bestaan nog steeds en worden sterker; aan de periferie van het grondgebied vindt al jaren op grote schaal ‘krimp’ plaats – mensen trekken weg: er is in het hoge noorden, verre oosten en diepe zuiden en zuidwesten geen werkgelegenheid meer, de kwaliteit van het bestaan brokkelt dagelijks verder af.

Is Nederland meer gefragmenteerd dan ooit, zoals Wallage en zijn comité beweren? Wie zal het zeggen, serieus onderzoek zou het wellicht kunnen laten zien, maar daar heb ik nog nooit kennis van genomen. Ik ben bang dat zo’n opvatting bij voorbeeld de grote mate van fragmentatie ontkent, die Nederland vele decennia gekenmerkt heeft en die af en toe nog wel eens in herinnering wordt geroepen met een begrip als ‘hokjesgeest’. De verzuiling in Nederland, want daarover gaat het dan, was prominenter dan in sommige buurlanden. De bevolking was verticaal opgesplitst in levenbeschouwelijke blokken (zuilen) die een zekere verbinding aan de top hadden, maar een soms bijna volstrekte verwijdering aan de basis. Zelf heb ik amper veertig jaar geleden uitvoerig onderzoek gedaan in een klein dorp in de Alblasserwaard waar de verzuiling springlevend was.

Twee bolwerken: in plaatselijke termen aangeduid als ‘links’ en ‘rechts’, iets neutraals in het midden bestond in feite niet. Rechts waren mensen die hun godsdienstige overtuiging als een master status met zich meedroegen: ik ben in de eerste plaats gereformeerd of hervormd en daarna ook nog winkelier, tandarts, boer of huisvrouw. Bij links had je dat niet, je vond er net zo goed mensen die gelovig waren, maar die het geloof of hun andere levensbeschouwingen ondergeschikt maakten aan hun optreden in de publieke sfeer. Links ging ‘onverdeeld’ naar de openbare school, rechts hield strak vast aan het eigen (Christelijke) onderwijs. De hele dorpssamenleving was op deze principes ingedeeld: een afzonderlijk verenigingsleven, afzonderlijke winkels, afzonderlijke bedrijven, afzonderlijke scholen en uiteraard afzonderlijke politieke partijen. Rechts: ARP, CHU, SGP – later voor het grootste deel opgegaan als ‘bloedgroepen’ in het CDA. Links: VVD, PvdA. In mijn tijd bestonden er zelfs nog twee banken: de ‘linkse’ Boerenleenbank en de ‘rechtse’ Raifeissenbank – op dat moment op landelijk niveau al gefuseerd tot Rabobank.

Je haalde het niet in je hoofd om je boodschappen te doen bij de ‘verkeerde’ winkelier en het was ondenkbaar dat je kinderen op de ‘verkeerde’ school terechtkwamen. In de werksfeer leidde dit dikwijls tot narigheid. Een ‘linkse’ boer had nogal eens de neiging om zijn ‘rechtse’ arbeiders te laten werken als ze eigenlijk naar de kerk moesten, een ‘rechtse’ boer kneep zijn ‘linkse’ (ongelovige) arbeiders genadeloos uit. Klassentegenstellingen konden worden verdoezeld in werkrelaties tussen bazen en ondergeschikten waarbij beide partijen dezelfde levensovertuiging deelden – wie daar niet bij paste werd gezien als een bedreiging van de bestaande orde. Zowel de burgerlijke als de kerkelijke overheden hielden hieraan onwrikbaar vast. Binnen de onderscheiden zuilen kwamen eigen gedragsregels tot ontwikkeling en een eigen ‘taal’. Wie er oog en oor voor had, wist onmiddellijk vast te stellen tot welke groep je behoorde.

De tegenstellingen waren scherp en in feite onoverbrugbaar. De politicoloog Arend Lijphart heeft ooit betoogd dat de situatie in Nederland makkelijk uit de hand had kunnen lopen – zoals in Ierland bij voorbeeld – als er niet zoiets tot ontwikkeling was gekomen als de ‘pacificatie’, een beleid van verzoening, waar iedere zuil zoveel mogelijk ongemoeid werd gelaten en op evenredige manier kon profiteren van de algemene middelen. In veel streken is de verzuiling verdwenen, wat niet in de laatste plaats te maken heeft met geloofsafval, maar hier en daar zijn de taaie resten nog volop aanwezig. Veel politieke partijen, omroeporganisaties, scholen, universiteiten, maatschappelijke instellingen, verenigingen herinneren in naam en doelstelling nog levendig aan het tijdperk van de verzuiling. En, inderdaad, je ziet dat nieuwe inwoners van Nederland zich soms in de beproefde vorm van zuilen organiseren, alles geregeld in eigen beheer en in eigen sfeer: onderwijs, verenigingsleven, winkelbestanden.

In dit licht gezien zou je gedachten over een ‘nationale identiteit’ – en vooral de overtuiging dat deze zou worden bedreigd door allerlei kwalijke invloeden van ‘buitenaf’ – kunnen relativeren. Er is in de moderne geschiedenis van Nederland nooit sprake geweest van overkoepelende waarden en normen, opvattingen en gevoelens waar iedereen zijn/haar eigen identiteit aan ontleende. Integendeel, de Nederlandse samenleving is altijd tot het bot verdeeld geweest en het is een wonder dat er af en toe blijkbaar krachten hebben bestaan die de dreigendste gevaren van die verdeling (zoals burgeroorlog) konden afwenden en beheersen. Zijn dit de mysterieuze krachten van de polder?