Hoe nauw sport en politiek soms verbonden zijn, komt sinds de hervatting van de voetbalcompetitie in Engeland, na de lockdown, pregnant tot uiting. Een fraai voorbeeld. Aan het begin van iedere wedstrijd gaan alle spelers, scheidsrechters, managers, trainers en verzorgers ‘op de knie’, soms met een vuist in de lucht: het symbool van Black Lives Matter vermengd met dat van Black Power. In hoeverre het publiek er in meegaat, weten we niet; de wedstrijden worden met het oog op het coronavirus zonder toeschouwers afgewerkt. Bij één wedstrijd vloog een reclamevliegtuigje over het stadion met de tekst: White Lives Matter. Daar werd collectief afstand van genomen met sterke afkeurende teksten, zowel in de kranten als in de studio van Match of the Day, het onvolprezen, veelbekeken voetbalprogramma van de BBC. Eén speler, Wilfried Zaha, de ster van de Londense club Crystal Palace, deed aangifte bij de politie van smerige racistische teksten en doodsbedreigingen aan zijn adres op social media. De dader werd snel opgespoord… een twaalfjarig jochie.

Vraag: waar komt die plotselinge internationale weerklank vandaan? Hoe dramatisch de dood van Floyd George op zichzelf ook was, hij was (voorlopig) de laatste van een moedeloze reeks overeenkomstige slachtoffers van excessief politiegeweld in de Verenigde Staten. Wie kent, buiten de Verenigde Staten, hun namen nog? Dat zijn geval de druppel was die de emmer deed overlopen, zal samenhangen met de coronapandemie, een tijdelijke opleving van de belangstelling voor gebeurtenissen in het buitenland. Ook in Europa gingen mensen de straat op om hun protest te laten horen, hoewel het hier niet louter om copy cat-demonstraties ging. Er speelden verschillende agenda’s op de achtergrond mee. De moord op George werd in verband gebracht met het Westerse imperialisme en vooral ook: de slavenhandel. Het leidde hier en daar tot een heuse Beeldenstorm. De meeste publiciteit kreeg de ontmanteling van het monument van ‘weldoener’ Edward Colston in Bristol: met vereende krachten werd het beeld door een horde demonstranten de haven ingekieperd.

Als het gaat om Amerikaans geweld tegen zwarte jongens en mannen heb ik altijd een paar referentiepunten achter de hand. The Bonfire of the Vanities natuurlijk, waarin Tom Wolfe laat zien hoe het vuurtje onder de protestbeweging door opportunistische volksmenners wordt opgestookt. Maar vooral ook Richard Wright’s Native Son, dat graaft in de achtergronden en beweegredenen van de zwarte slachtoffers. Bigger Thomas, de hoofdpersoon, is gedeeltelijk gemodelleerd naar Robert Nixon, een jonge moordenaar en verkrachter die in 1939 op de electrische stoel zijn einde vond, amper twintig jaar. Bigger was net zo jong. Hij had een chauffeursbaantje gekregen bij een rijke familie van progressieve weldoeners. Hij had voor zijn eerste klusje de dochter des huizes, Mary Dalton, naar de Universiteit moeten rijden, maar onderweg veranderde ze van gedachten: ze dirigeerde hem naar het adres van haar vriendje. I’m not going to the University, but you can forget that. I want you to drive me to the Loop. But if anyone should ask you, then I went to the University, see, Bigger?, had ze gezegd. I think I can trust you… after all, I’m on your side and I’m going to meet a friend of mine who’s also a friend of yours. De verbijstering van Bigger over deze verklaringen neemt nog toe als het tweetal hem vraagt hen naar een zwart restaurant te brengen (Ernie’s Kitchen Shack) waar ze typische soul food kunnen krijgen. Bigger zou het liefst door de grond zakken. Onderweg legt Mary haar hand op Bigger’s arm (haar vriendje Jan heeft het stuur overgenomen) en zegt hem hoe graag ze zou weten hoe ‘zijn mensen’ leven. I’ve been to England, France, and Mexico, but I don’t know how people live ten blocks from me. We know so little about each other, I just want to see. I want to know these people. Never in  my life I have been inside a Negro home. Yet they must live like we live. They’re human… There are twelve million of them… They live in our country… In the same city with us

 


Inspiratiebron voor Bigger Thomas

De avond eindigt rampzalig. Mary drinkt teveel en moet door Bigger naar haar bed gedragen worden. Uit angst te worden ontdekt, drukt hij een kussen op haar gezicht. Ze stikt. Bigger probeert de sporen uit te wissen door het lijk in de verbrandingsoven voor de centrale verwarming te cremeren, maar hij loopt tegen de lamp. De klopjacht, georganiseerd om Bigger te grijpen, behoort tot de aangrijpendste passages van het boek.

 


De vader van Bigger Thomas

In zijn toelichting op Native Son beschrijft Wright zo’n klopjacht als een stereotypische situatie. Burgers dringen bij de politie aan om een bepaalde misdadiger aan te pakken; ‘verkrachting’ is daarbij meestal het toverwoord. Politieauto’s doorkruisen de zwarte buurt, en grijpen de eerste de beste zwarte jongen die alleen over straat loopt. Hij wordt opgesloten zonder beschuldiging, zonder enige mogelijkheid om met derden te overleggen. Na een paar dagen is de jongen bereid om alles waarvan hij beschuldigd wordt te bekennen. Any crime that handily happens to be unsolved and on the calender. Waarom? Simpel: de jongen wordt dag en nacht gemarteld, aan zijn duimen opgehangen, aan zijn voeten buiten een raam gehouden op twintig hoog, bont en blauw geslagen. De agenten beloven hem dat hij niet op de elektrische stoel komt als hij alles bekent, maar vanzelfsprekend eindigt hij daar toch.

Dit alles vloeit voort uit de aard en het karakter van de Amerikaanse samenleving, aldus Wright, die dit illustreert aan de hand van het ‘Diepe Zuiden’—de schrijver is geboren in de duistere achterlanden van Mississippi. Je hebt daar twee werelden: die van de blanken en die van de zwarten. Ze zijn fysiek gescheiden: witte en zwarte scholen, witte en zwarte kerken, witte en zwarte bedrijven, witte en zwarte begraafplaatsen (and for all I know, voegt Wright toe, a white God and a black God). De scheiding is na de Civil War tot stand gekomen door de terreur van de Ku Klux Klan, die door brandstichting, plundering, en moord zwarten uit alle vertegenwoordigende organen heeft gejaagd. Het motief was eenvoudig: na afschaffing van de slavernij was het aantal zwarten aanzienlijk groter dan het aantal blanken in de plantage-economie. Ten koste van alles moest het kiesrecht van zwarten worden gesaboteerd: als iedereen gelijke stemmen had, dan zouden de blanken hun controle over de vruchtbaarste streken verliezen en zou de economische structuur van een gebied ter grootte van éénderde van de Verenigde Staten ingrijpend van karakter veranderen. De kern van alles was een strijd om de macht in meer dan tien deelstaten met bij elkaar tientallen miljoenen mensen. Maar het saboteren van het kiesrecht voor zwarten was niet genoeg. Er ontstond een overdaad aan regeltjes, taboes en strafbepalingen om de zwarten nóg steviger op hun plaats te houden. Daarbij een sterke beperking van het onderwijs, geen mogelijkheid om bij de politie te komen werken, of bij de overheid in het algemeen, het opleggen van zware hindernissen bij het gebruik van de openbare ruimte. Over het geheel bovendien een omvattende ideologie van raciale superioriteit van waaruit iedere toepassing van geweld gerechtvaardigd kon worden.

Wat Wright laat zien is dat dit complex niet tot het Zuiden beperkt is, maar zich ook manifesteert in de grote steden in het noorden en oosten (Native Son speelt zich af in Chicago). Bij de recente discussies over slavernij, kolonialisme en Black Lives Matter bleek herhaaldelijk dat er misverstanden bestaan over wat nu eigenlijk institutioneel racisme is. Richard Wright’s analyse van de gescheiden werelden is een sprekend voorbeeld. Het systeem laat bij iedereen littekens achter, voor het leven.

 

illustraties
Richard Wright; bron: denstordanske.dk