William H. Whyte heeft jarenlang gedrag op straat bestudeerd, voornamlijk eigen waarneming, soms met hulp van time-lapse filming: filmcamera’s op strategische plekken in de stad die om de zoveel minuten opnamen maken. Zijn Street Life Project in New York heeft een schat aan informatie en inzichten opgeleverd die in bepaalde opzichten nog alleszins actueel is, ook al dateert het project van een paar decennia geleden. Waar gaan mensen zitten, bij voorbeeld, wat maakt dat sommige pleintjes en parkjes aanzienlijk succesvoller in het aantrekken van publiek zijn dan andere, op welke manier wordt sociale controle uitgeoefend, wat is de rol van ‘ongewenste elementen’, zoals daklozen, zwervers, bedelaars? Het is allemaal geen ‘atoomwetenschap’, zoals Whyte zegt, het zet op een systematisch rijtje wat we allemaal misschien wel ongeveer denken te weten en aanvoelen maar waar we praktisch nooit bij stilstaan. Hij besteedt veel aandacht aan zitruimte, bij voorbeeld. Waar zitten mensen graag, heeft dat iets met straatmeubilair te maken? De stand van de zon? Drukte? Het blijkt dat voor de hand liggende antwoorden (‘dat weet toch iedereen’) niet altijd kloppen, het blijkt vooral dat er in steden dikwijls een jammerlijk tekort aan openbare zitruimte is – stedenbouwers en hun opdrachtgevers houden niet van menselijke samenscholingen; opschieten alsjeblieft, dóórlopen!

De onderzoeker maakt terloops wat opmerkingen over hoe mannen en vrouwen zich gedragen. In de tijd van het onderzoeksproject was dat kennelijk geen onderwerp van centraal belang – Whyte moet er veel materiaal over hebben verzameld, maar heeft het bij mijn weten nooit als zodanig geanalyseerd. Eén observatie is me altijd bijgebleven, te vinden in Whyte’s onvolprezen boek City uit 1988: als er in een parkje of op een plein opvallend weinig vrouwen aanwezig zijn, is er iets mis – dat kan van alles zijn, maar hoogstwaarschijnlijk is het er in ieder geval smerig en ontbreekt er adequate sociale controle. Iedereen die ook maar een beetje streetwise is, moet dat weten.

Als er zitruimte beschikbaar is, tonen mannen de neiging om de ‘eerste rangen’ te bezetten en als er iets als een toegang tot de ruimte is, bij voorbeeld trappen of hekken, zitten mannen daar dikwijls in de buurt, als bewakers. Vrouwen zoeken naar plaatsen die wat meer afgeschermd zijn, met hun rug naar het stadsgewoel. Onder de mannen die vooraan zitten, vind je de girl watchers, zoals Whyte hen noemt. Ze doen dat zo opvallend dat het lijkt alsof die ‘sport’ als zodanig leuker en interessanter is dan de meisjes en vrouwen die langskomen. Ze zitten in groepjes van drie tot vijf en soms bestaat er onderling contact tussen die groepjes over de communicatie waarmee girl watching gepaard gaat: fluiten, lachen, roepen, gebaren. Maar, zegt Whyte, it is all machismo, not once have we ever seen a girl watcher pick up a girl, or attempt to.

Deze situatie, mannen die zich overgeven aan girl watching, vormt uitgangspunt van het filmpje Femme de la rue, waarmee de Belgische Sofie Peeters een tijdje geleden ophef veroorzaakte. Tot in verre buitenlanden aan toe werd over de documentaire geschreven en gepraat, de maakster was in één klap beroemd. Je kunt de film overal zien op internet en als je Sofie Peeters intikt, krijg je pagina’s lang beschouwingen, portretten, interviews. Toen de film uitkwam heb ik dat wel geregistreerd, maar op de een of andere manier ben ik erin geslaagd de film nooit te zien. Tot voor kort, want in het kader van de IDFA kwamen er weer hervertoningen op het tv-kanaal dat vroeger Holland Doc heette, nu NPO Doc, en ik besloot alsnog te kijken.

Dat was teleurstellend. Gezien alle ophef had ik veel meer verwacht dan het in feite is: een korte impressie van hoe een jonge vrouw op een Brussels trottoir wordt aangeroepen en aangesproken door girl watchers, aangevuld met fragmentarische gesprekjes. Een jongeman die uitlegt hoe complimenteus het is voor een vrouw om zó benaderd te worden en diverse vrouwen die juist onderstrepen hoe bedreigend het is om door onbekende mannen te worden achtervolgd. Ze begrijpen het niet en proberen zich te wapenen door speciale kleding, door bepaalde buurten of plekken te mijden, door lichaamstaal (strak voor je kijken, niets zeggen).

Dat ‘eeuwige misverstand’ over de aard van het openbare stedelijke domein is al lang en breed beschreven en geanalyseerd. In alle toonaarden. Het filmpje van Sofie Peeters maakt op mij de indruk van een onbeholpen poging het wiel opnieuw uit te vinden, er komt geen enkel fragment in voor dat blijk geeft van een origineel, verfrissend inzicht. Dat alleengaande vrouwen op straat soms incomplete participation units zijn, om het in Goffmaniaanse termen te zeggen, en reeksen van voorzorgsmaatregelen treffen om ongewenste confrontaties te verzachten of uit de weg te gaan, is elders en eerder (zeker in mijn vak, de sociologie en antropologie van het stedelijke bestaan) uitvoerig en diepgravend beschreven en verklaard. Wordt er soms aan dat soort achtergronden door de Filmacademie, waarvoor Peeters haar werkstuk maakte, geen waarde gehecht? Sterker nog: weet men misschien van z’n gezond niet af? Hoed je voor zulke onderwijsinstellingen!

Waarom dan toch die overweldigende aandacht voor Femme de la rue? Ik denk doordat de maakster, bewust of onbewust, vooral één aspect van de hele problematiek op de voorgrond heeft geplaatst, namelijk de confrontatie die plaatsvindt tussen een goed geklede, geletterde, beschaafde, aantrekkelijke jonge vrouw (zijzelf) aan de ene kant en een groep van (vermoedelijk) slecht geschoolde, onbeschofte, slecht geklede vertegenwoordigers van de Brusselse allochtone onderklasse anderzijds. Vanaf het midden van de 19e eeuw, toen de verstedelijking in het Westen op gang kwam, hebben vrouwen uit de ‘betere klassen’ moeite gehad om zich vrijelijk in de openbare ruimte te bewegen; zelfs in mijn generatie mochten vrouwen in bepaalde buurten op bepaalde tijden alleen maar met chaperonnes of mannelijke ‘beschermers’ (ook al waren het jongere broertjes – ik spreek uit ervaring) over straat. Maar sinds er een ideologie van vrijheid en gelijkheid bestaat, ook en vooral voor vrouwen en meisjes, en stedelijke openbare ruimtes geacht worden daadwerkelijk voor iedereen vrij en onbelemmerd toegankelijk te zijn, vinden er – vaak harde – botsingen plaats tussen ideaal en werkelijkheid. Het is onverdraaglijk dat bepaalde delen van de stad de facto onaangenaam of onveilig of zelfs levensgevaarlijk zouden zijn voor een substantieel deel van de stedelijke bevolking en wat voor vrouwen geldt, gaat tot op grote hoogte ook op voor andere bevolkingsgroepen: kinderen, toeristen, gehandicapten, ouderen. Bijna niemand is immuun voor onuitgelokt en ongewenst geschreeuw, gefluit, handtastelijkheden, scheldwoorden, beledigingen. In de literatuur bestaat er een mooie term voor: interactional vandalism. Maar wat extra steekt – en dat komt scherp tot uiting in Femme de la rue – is de asymmetrie. Die boodschap is in het algemeen goed begrepen door degenen die de film hebben gezien. Van moslimzijde is Sofie Peeters uitgemaakt voor alles wat lelijk is, een ‘vuile, vieze hoer’ die vrijwel naakt over straat gaat en onze jongens het hoofd op hol brengt. Maar ook de andere kant, laten we zeggen PVV-stemmers, liet zich niet onbetuigd: meer politie op straat, samenscholingsverbod, snelrecht, nóg erger.

Wat een algemeen probleem is, wordt zó teruggebracht tot iets overzichtelijks. Simpel, het komt allemaal door Marokkanen, Turken, Congolezen, asielzoekers, vluchtelingen. Zwarte schapen in overvloed. Jammer. Het algemene probleem is belangrijk genoeg, want het betreft de vraag naar de positie van vrouwen (en andere minderheden) niet alleen op straat, maar ook op het werk, kantoor of fabriek, in verenigingen, winkels, restaurants, bioscopen, terrasjes. En, niet te vergeten … thuis! Hoe groot is de discrepantie eigenlijk tussen de verschillende domeinen als het gaat om hoe vrouwen bejegend worden (en zich laten bejegenen)? Is er sprake van scherpe breuken of mag je uitgaan van een continuum waarop verschillende gradaties kunnen worden aangegeven: van kwaad tot erger, maar in kleine, geleidelijke stapjes. En aan de andere kant: hoe groot zijn de verschillen in de omgevingen waar het gewraakte gedrag zich voordoet? Ik denk aan India: vrouwen die ik kende in Mumbai verzekerden me bij hoog en bij laag dat je daar onbekommerd dag en nacht over straat kunt – dit in grote tegenstelling tot bij voorbeeld Delhi, waar je als vrouw alleen geen leven hebt in de openbare ruimte. Als dat waar zou zijn: waar ligt dat dan aan? Stedelijk klimaat… wat is dat? En wat voor steden als geheel geldt, gaat dat ook op voor afzonderlijke buurten?

Uit onderzoek onder straathandelaars in het hippe New Yorkse Greenwich Village (Mitchell Duneier’s Sidewalk) kwam een soortgelijke asymmetrie naar voren. Voor de (zwarte) handelaars zijn de chique vrouwen op straat zó ver van hun eigen wereld verwijderd dat zelfs de gedachte aan vriendelijkheid, beleefdheid, laat staan romantiek, absurd is. De mannen hebben daarom het idee dat ze zich alles kunnen veroorloven aan opmerkingen en scheldwoorden – tenslotte is de straat hún domein, het naroepen van vrouwen is een machtsspel – en dat maakt ze op zichzelf nóg gevaarlijker dan ze al zijn in de ogen van hun (potentiële) ‘slachtoffers’. De vrouwelijke bewoners van de buurt koesteren een diep wantrouwen tegenover de handelaren. Als ze over straat moeten, kijken ze niet op of om en doen alsof de mannen lucht zijn. ‘Oefeningen in autisme’, heb ik het geloof ik eens ergens genoemd. Dat versterkt de indruk die de mannen toch al hebben: ze hebben te maken met ijskoude, arrogante wijven zonder menselijk gevoel. Je mag dus alles tegen ze roepen, maakt niet uit. Een zichzelf versterkend proces: beide partijen doen, bij wijze van spreken, hun uiterste best om te voldoen aan het stereotype beeld dat ze over en weer van elkaar koesteren.

 

beelden:

beeld uit Femme de la rue, bron: nrc.nl
‘harassment’, bron: flanderstoday.eu