In Rotterdam komen we op voor slachtoffers, pocht plaatselijk wethouder veiligheid Joost Eerdmans. Ik las het een dag of wat geleden in de krant (NRC Handelsblad). De slachtoffers die hij op het oog heeft zijn vrouwen. Die kunnen zich in zijn stad niet vrij over straat bewegen; ze worden geïntimideerd. In beleidstaal: Iedereen moet zich vrij en veilig kunnen bewegen in de stad. We zullen met een reeks maatregelen moeten komen, zowel repressief als preventief. Welke maatregelen? Daarover geen woord.

De kwestie is in het nieuws gekomen door een wetenschappelijke studie, in opdracht van de gemeente uitgevoerd door onderzoekers van de Erasmus Universiteit. Vrouwen tussen de 18 en 45 jaar krijgen vrijwel zonder uitzondering te maken met verschijnselen als nastaren, sissen of het maken van complimenten als ze in Rotterdam over straat lopen. Het afgelopen jaar heeft bijna 100% te maken gehad met seksuele toenadering in een of andere vorm, bijna 50% met seksuele straatintimidatie (wat het onderscheid is, kan ik jammer genoeg niet achterhalen). Als reactie (of voorzorgsmaatregel) passen vrouwen hun kleding aan, maar ook hun gedrag: ze vermijden oogcontact, lopen met een boog om groepjes mannen of jongens heen. De gegevens zijn tot stand gekomen door het uitsturen van vragenlijsten aan ruim 1000 vrouwen, gesprekken met vrouwen, politiebeambten en buurtwerkers, straatinterviews.

 

Seksuele toenadering?

 

We kennen de problematiek. Een tijdje geleden kwam de Belgische cineaste Sofie Peeters in het nieuws met haar filmpje Femme de la rue, overal vertoond en besproken. Ik schreef er twee jaar geleden over,  op deze plaats: het betreft een impressie van de manier waarop een jonge vrouw op een Brussels trottoir wordt aangesproken en nageroepen door typische girl watchers, aangevuld met wat gespreksfragmenten. Een jongeman die uitlegt dat het voor een vrouw complimenteus is als hij haar op straat aanspreekt of nafluit, vrouwen die juist onderstrepen hoe bedreigend het is om door onbekende mannen te worden achtervolgd. Ook hier de bekende voorzorgsmaatregelen: speciale kleding, vermijden van bepaalde plekken of buurten, lichaamstaal (niets zeggen, strak voor je uitkijken).

Nu kunnen we dus beschikken over cijfers en wetenschappelijke beschouwingen en weten we hoe ernstig de situatie is. Maar de informatie over het onderzoek is in de krant summier weergegeven. Wat is er precies gevraagd? Hoe zijn de ondervraagden geselecteerd? Ging het om een zuiver schriftelijke enquête? Wat is de relatie tussen de antwoorden op de vragen en het daadwerkelijke gedrag? Ik denk in dit verband altijd aan het Amerikaanse straatonderzoek van William Whyte, uitgevoerd met camera’s, zorgvuldige observaties en situatieschetsen in diverse grote steden. Helaas heeft hij nooit veel te melden gehad over mogelijke verschillen in gedrag tussen mannen en vrouwen, maar ik herinner me zijn beschouwing over girl watchers in parken en op straat. Hij wijst erop dat de ‘sport’ van het nakijken van vrouwen op zichzelf aanzienlijk boeiender lijkt te zijn dan de meisjes en vrouwen die langslopen en die het object van deze bezigheid zijn. De aandacht wordt eerder opgeslokt door de processen die zich binnen en vaak tussen de groepjes mannen afspelen, er wordt gelachen, gepraat, geroepen en er wordt, schijnbaar terloops, af en toe ook iets uitgezonden naar de passerende ‘slachtoffers’. It is all machismo, zegt Whyte, not once have we ever seen a girl watcher pick up a girl, or attempt to.

 

girls to be watched

 

Whyte heeft alleen maar van afstand geobserveerd en heeft niemand aangesproken over zijn of haar ervaringen en belevenissen. Dat scheelt. Maar toch zou je over het Rotterdamse onderzoek juist meer van die context willen weten. Maken de ondervraagde vrouwen verschil tussen hun ervaringen als eenling of als deel van een groepje? Een groepje van alleen vrouwen of gemengd? En wat maken de kenmerken van de ‘tegenpartij’ uit: leeftijd, bij voorbeeld, klasse, kleding, voorkomen in het algemeen? De onderzoekers hebben zich gebogen over de openbare ruimte, straten, pleinen, parken—neem ik aan—maar hebben ze zich ook beziggehouden met semiopenbare ruimten, zoals scholen, restaurants, stations, treinen, het Rotterdamse gemeentehuis? Zonder dat soort gegevens blijft ons inzicht in de betrokken processen oppervlakkig en impressionistisch. Wethouder Eerdmans heeft toch echt een beetje houvast nodig voor zijn repressieve en preventieve maatregelen, anders wordt het niets daar in Rotterdam.

Ja, de publieke ruimte zou voor iedereen toegankelijk moeten zijn en inderdaad zou iedereen zich er vrij moeten kunnen bewegen, dat is de wet. Maar de werkelijkheid is iets ingewikkelder. Het openbare domein is gendered, zoals het in lelijk jargon heet: het maakt uit of je man of vrouw bent, maar andere zogenaamde statuskenmerken doen net zo hard ter zake. Bejaarde, scholier, slagersjongen, politieagent, zwerver, toerist, winkelier: allemaal vertegenwoordigers van sociale categorieën die een eigen bejegening krijgen. Op straat ben je niet Mevrouw A of Meneer B met een eigen, onderscheiden identiteit, maar je valt in bredere, min of meer anonieme hokjes. Iedereen wordt ‘sociaal gereduceerd’. Aan de andere kant worden sommige eigenschappen juist versterkt in de openbare ruimte: we veronderstellen dat een vrouw model staat voor alle andere vrouwen, ze maakt deel uit van een categorie die gekenmerkt wordt door bepaalde, gedeelde motieven, bedoelingen en gedragingen.

In de openbare ruimte gaat de vrijheid voor de een ten koste van die voor de ander, daar valt weinig aan te regelen. Niemand kan zonder een zekere mate van ‘privatisering’: zelfs als je alleen maar een boodschapje om de hoek gaat doen, maak je aanspraak op de route die je moet volgen om op je plaats van bestemming te komen. Grote delen van de openbare ruimte worden, al dan niet gesanctioneerd door de overheid, vrijwel permanent ‘gekoloniseerd’. Landjepik noem je dat in Amsterdam: terrassen, tuintjes langs gevels of kades, vaste ontmoetingsplekken voor bepaalde groepen stadsbewoners. Deze processen gaan gepaard met verschillende soorten ‘inbreuken’ op de openbaarheid waar vrouwen, maar ook andere minderheidsgroepen, vaak de dupe van zijn. Uitsluitingmechanismen bij voorbeeld: je bent in bepaalde gelegenheden of buurten als vrouw (of kind, of bejaarde, of vertegenwoordiger van een bepaalde etnische groep) niet welkom. Of vormen van misbruik, zoals het schenden van iemands privacy. Je aanstaren, inspecteren, bestoken met ongevraagde opmerkingen en commentaar. Vrouwen lijden daaronder, maar ook zogenaamde ‘beroemdheden’ die nooit ergens rustig kunnen zitten en voortdurend door fans worden belaagd. Daaronder vallen ook vormen van ‘waardering’: (morele) oordelen over aspecten van iemands uiterlijk. Hier zit een glijdende schaal achter: ongewenste opmerkingen lopen gemakkelijk over in ongewenste aanrakingen, achtervolgingen, handgemeen en nog erger.

Het openbare domein is omvangrijk en kent vele dimensies. Deze sfeer laat zich niet zo makkelijk in een bepaalde richting dwingen. Ik vrees dat wethouder Eerdmans voorlopig geen instrumenten zal vinden om hierin de door hem nagestreefde orde te scheppen. Zelfs wetenschappelijk onderzoek biedt geen soelaas.

 

illustraties:
Vrouwen bijeen; bron: nieuws030.nl
Vrouw met boodschappentas; bron: vrouwenversierenopstraat.nl
Groepje meisjes; bron: nl.dreamstime.com