De vijand van hiernaast, noemde Joshua Rothman zijn bijdrage voor The New Yorker over de afgelopen presidentsverkiezing in de Verenigde Staten (7 november 2016). Hij werkt bij het weekblad als beheerder van het archief, maar is eveneens actief als schrijvende redacteur. Wat betekenen de verkiezingen voor het ‘gewone leven’?, zou de ondertitel kunnen luiden. Op een zekere ochtend maak je een wandeling door de buurt en plotseling zie je dat buren aan de overkant een verkiezingspamflet voor Donald Trump in de tuin hebben gezet. Je kent die mensen al jaren, maar nu heb je het gevoel dat er een akelig geheim over hen is geopenbaard. Als je ze later tegenkomt in het park, klets je over honkbal, het weer of de kinderen. Zoals altijd. Ze lijken niet opeens slechter dan een paar maanden geleden. Je vraagt je wel af hoe ze over jou zouden denken als jij een affiche voor Hillary Clinton in de tuin had gezet; zouden zij dan ook het gevoel hebben gehad dat er een invasie van gevaarlijke gekken had plaatsgevonden?

 

 

En als de verkiezingen voorbij zijn? Die buren hebben tenslotte gestemd op een nieuwe Mussolini die erop uit is het land naar de verdommenis te helpen (en jij op iemand die volgens hen wegens corruptie in de gevangenis thuishoort). Ik probeer me voor te stellen dat iets dergelijks gebeurt in mijn buurt: mensen die ik al jaren ken en waardeer als goede buren, blijken bij de komende verkiezingen propaganda te maken voor de PVV of een van de andere griezelpartijtjes die ook een graantje van de vreemdelingenhaat meepikken. Zou ik ooit nog een woord met ze kunnen (of willen) wisselen? Rothman hamert erop dat de politiek van levensbelang is; het is begrijpelijk en terecht als we ons soms door de uitslag van verkiezingen bedreigd voelen, maar we moeten ons tegelijkertijd realiseren dat de politiek ons leven kan vergiftigen. Er is onderscheid tussen het bestaan als burger, civic life, en het leven als buurtbewoner, neighborly life. Als staatsburgers hebben we een abstracte identiteit: we zijn ‘links’ of ‘christelijk’ of voor ‘recht en orde’; we koesteren abstracte ideeën, zoals ‘gelijkheid’ of ‘vrijhandel’ of ‘vrijheid’; we rechtvaardigen onze standpunten door te verwijzen naar hogere principes—de scheiding van kerk en staat, de zegeningen van de privatisering, het terugdringen van de bureaucratie. Buurtleven is daarentegen praktisch en alledaags; de kwaliteit van de buurt hangt niet af van abstracties maar van directe actie: heb je last van mijn tv? kun je mijn planten water geven? wil je een pakketje aannemen? heb je zin om een glaasje te komen drinken? kun je wat boodschappen voor me doen? In Méér Vinexvrouwen verwoordt de Marokkaanse succesauteur Naima El Bezaz de idealen van burenrelaties in een (etnisch gemengde) Vinexwijk. De schrijfster noteert wat een Turkse buurvrouw over haar buren zegt. Ik ben ontzettend blij met het contact dat ik met ze heb. De autochtonen accepteren ons volkomen. De buurvrouw heeft mijn sleutel. Dus elke keer als ik op vakantie ga, sorteert zij mijn post en geeft ze de planten water. We hebben een geweldige vriendschap.

 

 

De omgang met buren hoort typisch bij wat wel het parochiale domein wordt genoemd, een levensgebied met normen, waarden, regels en idealen die in een aantal opzichten scherp afwijken van die van het publieke domein, het openbare leven, de politiek. In het publieke domein heerst kilheid en berekening, de sfeer is onpersoonlijk. Niet vreemd dat politici bij het formuleren van hun idealen over de samenleving pogingen doen om elementen uit het parochiale domein te projecteren op het publieke domein: we zouden moeten streven naar een participatiesamenleving of een verbonden samenleving. De verschillende domeinen zijn weliswaar niet hermetisch van elkaar afgesloten, maar het willekeurig vermengen van volstrekt uiteenlopende dimensies leidt tot vaagheid en verwarring, want zulke aanduidingen betekenen uiteraard helemaal niets. Loze kreten.

Dat de domeinen vloeiende grenzen hebben, impliceert dat de contouren vaak moeilijk te onderscheiden zijn. Het is maar de vraag of de mensen die onderdeel uitmaken van mijn parochiale domein, mij ook tot hún domein rekenen. En bovendien voldoen ze lang niet allemaal in dezelfde mate aan de kenmerken die je als criteria voor het lidmaatschap zou kunnen hanteren. Sommige buren ken ik bij naam en toenaam, maar anderen ken ik eigenlijk alleen van gezicht. Van bepaalde buren weet ik vrij precies wat ze doen (of gedaan hebben) voor de kost, van anderen heb ik wat dat aangaat geen flauw idee. Hier en daar kom ik als buurman ‘over de vloer’, zoals dat heet, maar van sommigen weet ik niet eens precies waar ze wonen. Een gemeenschappelijk kenmerk is, denk ik, iets als een groetrelatie: je hebt elkaar al zo dikwijls op straat en in winkels gezien dat je je bijna gedwongen voelt om elkaars aanwezigheid te erkennen. Dit gaat wat mij betreft gepaard met de (lichte) overtuiging dat je elkaar gemakkelijk zou kunnen aanspreken, al was het alleen maar over het weer.

 

 

Goed beschouwd is het parochiale domein onderverdeeld in sectoren: je hebt een binnenste ring en een periferie daaromheen. De grenzen kunnen in de loop van de tijd verschuiven, naar beidekanten. Misschien is reciprociteit het onderscheidende kenmerk van de ‘kern’: de uitwisseling van diensten, producten, symbolische gebaren. De buurvrouw van El Bezaz drukte het kernachtig uit: We hebben een geweldige vriendschap. Die uitwisseling hoeft niet per se in evenwicht te zijn, want vaak vergelijk je appels met peren: ik doe een boodschap voor jou, jij repareert mijn computer. De een heeft behoefte aan een babysit, de ander aan een oppas voor de kat in de vakantieperiode. Ieder naar eigen smaak en zin, zolang er op de achtergrond maar sprake is van enige gelijkwaardigheid. Dat is over het algemeen geen kwestie van nauwkeurig boekhouden, meer van gissen en schatten. Maar het besef van éénzijdigheid kan plotseling doorbreken en dan is het eind van de relatie meestal in zicht. Die buurvrouw van me, een echte Hollandse, heeft al jaren mijn sleutel, zegt de Turkse buurvrouw tegen El Bezaz, een paar dagen nadat beiden de burenrelaties hebben besproken. Maar als zij met vakantie gaat, krijg ik nooit de sleutel van haar. En dat geldt voor al mijn Nederlandse buren. Ook met bezoekjes. Ze mogen altijd bij me binnenkomen en de koffie staat altijd klaar, maar als ik bij hen voor de deur sta, kom ik niet verder dan de gang (…) Geen van die Hollanders krijgt ooit nog een sleutel van me. Nooit meer.

De levensvatbaarheid van het parochiale domein berust op onbestemdheid: alles kan, niets hoeft. En uiteraard betekent wederkerigheid een zekere mate van tolerantie. Maar als de publieke sfeer het domein binnendringt (the invasion of the bodysnatchers), is het afgelopen. Dat zie je gebeuren in dictaturen.

 

 

illustraties
Joshua Rothman; bron: publicseminar.org
Alle andere foto’s genomen door Lodewijk Brunt (copyright)