Iedere crisis brengt veel narigheid, maar verrijkt ook de woordenschat. Ik herinner me nog het begrip rommelhypotheek uit 2007/8, waar de grote kladderadatsch (of: meltdown) mee begon. Het ging om Amerikaanse subprime-mortgages, risicohypotheken: verstrekt aan mensen met een beroerde schuldengeschiedenis en/of onvoldoende inkomen om de hypotheek af te betalen. De gedachte erachter was dat de huizenprijzen zouden blijven stijgen, zodat de hypotheeknemer zijn huis met voldoende winst zou kunnen verkopen om de lening alsnog af te lossen, inclusief rente. Via ingewikkelde constructies werden zulke rommelhypotheken gebundeld en aan derden doorverkocht. Het systeem begon in 2007 te wankelen en stortte vervolgens donderend in elkaar; de zogenaamde bankencrisis was een feit.

De coronapandemie heeft, behalve de aanduiding zelf, nog geen nieuw vocabulaire opgeleverd—voor zover ik weet—maar heeft een aantal bestaande begrippen sterk op de voorgrond geplaatst.* Met een eigen invulling, dat wel.  De sprekendste voorbeelden hebben te maken met quarantainemaatregelen en openbare omgangsvormen. De autoriteiten dringen er met kracht op aan dat mensen binnenblijven en zichzelf (vrijwillig) isoleren. In de Chinese stad Wu Han werd dit afgedwongen met barricades, strenge straffen en grof geweld, in landen als Nederland, Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk met een beroep op verantwoordelijkheidsgevoel, solidariteit en welbegrepen eigenbelang. In het coronajargon dat inmiddels alom gebezigd wordt, heet deze vorm van quarantaine ‘isolatie’ of ‘zelfisolatie’.

Curieus dat zo’n woord opeens algemeen ingang lijkt te hebben gevonden, want in feite gaat het om een begrip uit de bouwwereld. Isolatie is het materiaal waarmee iets geïsoleerd wordt tegen de tocht, kou of juist warmte. Te denken valt aan isolatieband, isolatiesteen, isolatielak of een isolatiekous: materiaal dat je om een kale stroomdraad wikkelt om geen schok te krijgen of brand te veroorzaken. De bedoeling van de vrijwillige quarantaine in je eigen huis is dat je afgezonderd bent van de rest van de mensheid, met niemand in aanraking komt. In goed Nederlands is dat dus niet isolatie, maar ‘isolement’ (of: ‘isolation’, als we zonodig over de grens heen willen spreken).

 


Isolatie van de kruipruimte

Het andere centrale begrip heeft te maken met de manier waarop we ons in de openbaarheid zouden moeten gedragen. We worden geacht zeker een meter afstand te bewaren tot andere mensen—soms hoor je andere maten, zoals anderhalve meter of twee meter. Het gaat nu even niet over die maatregel als zodanig, ik weet ook wel dat deze ernstig betwist wordt en door sommigen als volstrekt zinloos en  willekeurig wordt beschouwd, maar over het taalgebruik. Voor het in acht nemen van afstand is de term social distancing in zwang gekomen, inderdaad: Engels, we laten maar al te graag zien dat we niet van de straat zijn. Maar gaat het eigenlijk wel over ‘sociale afstand’?

In mijn milieu spreek je van sociale afstand als het gaat om de mate waarin mensen of groepen in sociaal opzicht van elkaar gescheiden zijn. In een land als Nederland zijn die afstanden, tenminste in theorie, misschien niet al te groot, maar in andere samenlevingen zijn ze praktisch (en theoretisch) vrijwel onoverbrugbaar. De Britse klassenmaatschappij is een voorbeeld. Ik las onlangs nog in een column dat je als spreker met een noordelijke tongval hooguit trainer van een voetbalclub kunt worden, niet hoger. Pas als je praat zoals Boris Johnson, Michael Gove, Jacob Rees-Mogg of Priti Patel maak je kans voor vol te worden aangezien.

Laten we het over India maar niet hebben met haar strikte kastenverdeling: de sociale afstand tussen een rijke Brahmaan en een straatveger is eindeloos. Hoger en lager wordt bovendien gerechtvaardigd door (religieuze) opvattingen over reinheid en al of geen aanraakbaarheid. Mijn hospita in Mumbai, waar ik vaak heb gelogeerd als paying guest, had in feite twee keukens in huis. In de ene werd gekookt voor ‘haar soort mensen’ (Brahmanen), in de andere voor buitenstaanders en die gebruikten dan ook een apart bestek, aparte glazen, borden en bekers. Ze hield deze scheiding als een havik in de gaten en oefende streng toezicht uit op haar keukenhulpen: er mocht niets verwisseld worden. Strikte Brahmaanse families hebben uiteraard een Brahmaanse kok in dienst: hij of zij kent de ingewikkelde voedselvoorschriften waar de familie zich aan te houden heeft. Eten uit handen van een kok uit een lagere kaste is onvoorstelbaar en in veel gebieden op het platteland komt het nog voor dat alleen al het zicht op een ‘onaanraakbare’ ertoe leidt dat men zich grondig moet reinigen van deze smet.

Sterk gestratificeerde maatschappijen hebben ‘tussenlagen’ die de hoogste klassen afscheiden van het ‘gewone volk’. Koloniale samenlevingen zijn er een goed voorbeeld van. In Indonesië vormden de Chinezen typisch zo’n tussenlaag, in Zuid-Afrika en andere Afrikaanse landen onder Britse koloniale overheersing (Uganda, Kenya, Tanzania) had je Indiërs in die positie. Sociale afstand betreft niet alleen onderscheiden horizontale lagen zoals klassen of kasten, maar ook verticale scheidingen. De Nederlandse samenleving werd tot in de jaren zestig, en misschien nog wel later, gekenmerkt door een sterke (verticale) verzuiling. Als katholiek of gereformeerde hoefde je het hele leven niet buiten je eigen sfeer te komen, sterker, van hogerhand werden contacten met ‘andersdenkenden’ actief ontmoedigd. ‘Twee geloven op een kussen, daar slaapt de Duivel tussen’, luidde het spreekwoord dat de situatie goed samenvatte. Binnen de zuilen had je alles, je was verzorgd van de wieg tot het graf. Het ging er niet om dat sommige mensen lager op de maatschappelijke ladder stonden dan de ‘anderen’, de kwestie was dat je de anderen, als het er echt op aankwam, niet kon vertrouwen. Ze hadden een totaal andere levensfilosofie, ze dachten anders en deden anders, kortom: ze waren anders.

 


Houd afstand….

Wil je de afstand overbruggen, dan heb je normaal gesproken een of meer tussenpersonen nodig. In het Zuiden van de Verenigde Staten maakten zwarten gebruik van hun angel, werkgever of weldoener, om een goed woordje voor ze te doen als dat nodig was. Bij een verzuilde samenleving als de Nederlandse moest de boodschap eerst omhoog in de eigen zuil en vervolgens weer omlaag in de andere zuil. De bases van de zuilen waren (idealiter) gescheiden terwijl er aan de top sprake was van overleg, in de politieke arena bij voorbeeld.

Kort gezegd, bij sociale afstand gaat het om de stappen die je moet zetten om zonder gezichtsverlies contact te maken met iemand die hoger (of lager) op de maatschappelijke ladder staat of die zich in een ‘vreemde’ levenssfeer bevindt. Met behulp van minutieuze netwerkanalyses is ooit wel eens uitgerekend hoeveel schakels een keuterboertje op het Siciliaanse platteland moet passeren om in contact te komen met een advocaat. Dat was bepaald geen kwestie van ‘even bellen’.

Bij de coronacrisis spelen totaal andere dimensies een rol, het gaat helemaal niet om social distancing, maar om physical distancing, fysieke afstand. Als ik boodschappen doe in de plaatselijke supermarkt lees ik aan de andere klanten af dat de sociale afstand tussen ons in vele gevallen gering is. Van sommigen weet ik het zeker omdat ik ze persoonlijk ken. Ik kan die afstand niet vergroten, hoe graag ik het misschien ook zou willen. Trouwens dat kan me niet zoveel schelen onder de huidige omstandigheden, ik moet zien dat ik de fysieke afstand tussen ons in stand houd, liefst tot zo’n meter of twee. De coronapandemie draait niet om social distancing maar om smetangst en ruimtelijke afstand. Of, om het nog maar eens in goed Nederlands te zeggen: om avoidance.

 

* In The Economist van 8 april 2020 stelt Noelle Mateer een lijstje op van Coronabegrippen, waaronder het Nederlandse hamsteren, het Duitse Coronaspeck, het Franse quatorzaine, het Italiaanse untore, Miss Rona, enkele Chinese begrippen en natuurlijk covidiot, iemand die zich niets aantrekt van de richtlijnen om thuis te blijven en afstand te houden.