In Metamorfosen zijn prachtige regels gewijd aan Daphne (in de vertaling van M. d’Hane-Scheltema):

Vaak had haar vader al gezegd: ‘Geef mij een schoonzoon, meisje’,
vaak had haar vader ook gezegd: ‘Geef mij toch kleinzoons, kind’,
maar zij, de huwelijksfakkels hatend als een boze misdaad,
toonde hem dan haar meisjesmooi gelaat vol blozend schaamrood
en met haar vleiend-zoete armen om haar vaders hals
smeekte zij: ‘Laat mij, lieve vader, voor mijn hele leven
een maagd zijn, net als Artemis–haar vader stond dat toe’.

De vader, Peneius, zwicht. Maar het noodlot slaat toe. Tegen haar zin is ze betrokken geraakt bij een ruzie tussen Apollo en Cupido. Toen Cupido een keer zijn boog spande, sprak Apollo hem minachtend toe—een vechtersboog was toch niets voor een kwajongen, maar paste om de schouders van een echte man, zoals hij: ‘Pak jij nu braaf je fakkeltje en stook je liefdesvuur’. Cupido richtte zijn boog en schoot een pijl met gouden punt tussen de ribben van Apollo en raakte Daphne met een totaal verschillende pijl—eentje met een loden punt. Het resultaat was desastreus: Apollo werd razend verliefd op Daphne, terwijl zij van geen verliefdheid wilde weten. Ze wijdde zich aan de jacht, verbleef in stille bossen. Apollo begint haar te stalken en overlaadt haar met liefdesverklaringen, deste heftiger naarmate ze sneller voor hem vlucht. Tenslotte roept ze haar vader te hulp: Bevrijd me van dit lichaam dat me veel te mooi deed zijn! Ze verandert in een laurierboom, haar gratie is het enige wat rest. Apollo omarmt haar en blijft haar kussen, maar zelfs het hout buigt van zijn kussen weg.

Schrijfster Jhumpa Lahiri verwijst naar de metamorfose van Daphne bij de verklaring waarom ze een paar jaar geleden besloot alleen nog maar in het Italiaans te schrijven. Teach Yourself Italian heet haar bekentenis, verschenen in The New Yorker (7 december 2015), vertaald uit het Italiaans. Aan de overgang ligt een ingewikkelde driehoeksverhouding ten grondslag. Haar schrijversdebuut in 1999, de verhalenbundel Interpreter of Maladies. Stories of Bengal, Boston and Beyond, sloeg in als een bom. In 2000 ontving ze de Pulitzer Prijs voor het boek, opzienbarend. Ze heeft een kosmopolitische achtergrond—in Groot Brittannië geboren uit Bengaalse ouders, opgegroeid in de Verenigde Staten en daar doorgebroken als bestsellerauteur. Haar debuutroman—The Namesake (2003)—werd meteen verfilmd.

Die achtergrond bepaalt haar positie op het breukvlak van culturen en talen. Ze staat als een stralend lichtbaken boven het benepen gekrioel van populisten die zich verzetten tegen de mondialisering, migratie en de aantasting van de zogenaamde eigen cultuur, de absolute tegenpool van de Wildersen en Le Pens. Haar moedertaal is het Bengaals, inderdaad letterlijk de taal van haar moeder, maar ze kan de taal niet lezen of schrijven en spreekt hem verre van perfect. Ik denk aan mijn moeder, merkt ze op in haar bekentenis, die schrijft gedichten in het Bengaals, in Amerika. Bijna vijftig jaar nadat ze hierheen is gekomen, kan ze hier nog steeds geen boek vinden dat in haar eigen taal is geschreven. Lahiri’s moedertaal is voor haar in feite een vreemde taal, maar haar betrekking tot het Engels is eveneens problematisch—de taal van de cultuur die ze met pijn en moeite moest zien te veroveren, beheersen en interpreteren; hoe beter ze daarin slaagde, hoe meer werd ze besprongen door de angst dat dit een breuk zou betekenen met haar ouders. Het Engels staat voor een zwaar, moeizaam aspect van mijn jeugd… ik ben er doodmoe van.

Op de middelbare school en zeker op de universiteit, raakte ze gecharmeerd van het Italiaans, misschien wel verliefd. De aantrekkingskracht werd ook bepaald doordat ze geen ambivalente band met de taal had, integendeel, ze voelde zich vanaf het begin gescheiden van het Italiaans. Hoe is het mogelijk om je gescheiden te voelen van een taal die niet van jou is? Misschien ben ik een schrijver die niet volledig tot enige taal behoort. Italiaans leren heeft jaren gekost, met privélessen, eindeloos oefenen en proberen, lezen, lezen, lezen, woordjes opzoeken, leren. Een paar jaar geleden heeft ze alle schepen achter zich verbrand, ze is met echtgenoot en kinderen naar Italië verhuisd. Ze woont nu in Rome en heeft zojuist haar eerste boek in het Italiaans gepubliceerd: In altre parole.

Zoals Daphne voor Apollo vluchtte, zo is Jhumpa Lahiri ook gevlucht en na lang nadenken weet ze wat haar heeft verjaagd: de Engelse taal, althans niet zozeer de taal als zodanig als wel alles waar de taal voor stond: For practically my whole life, English has represented a consuming struggle, a wrenching conflict, a continuous sense of failure that is the source of almost all my anxiety. Ze is gevlucht naar het Italiaans en ze voelt zich herboren, hoewel ze zich realiseert dat de metamorfose kostbaar is: Ik voel me opgesloten, ik kan me niet bewegen als vroeger, als toen ik me bewoog in het Engels. Een nieuwe taal, Italiaans, bedekt me als een soort schors. Ik zit binnen: hernieuwd, vastgezet, opgelucht, ongemakkelijk.

Ik zal nooit het verhaal vergeten van Mevrouw Sen uit Lahiri’s eerste bundel. Geportretteerd naar haar eigen moeder? De onzekere Mevrouw Sen is afkomstig uit Calcutta en werkt als oppas voor het jochie Eliot in Boston, haar nieuwe woonplaats. Ze is blij met de zorg voor het kind omdat ze anders haar dagen in totale eenzaamheid zou moeten doorbrengen, haar man werkt buitenshuis. Wat ze vooral mist is verse vis. In Calcutta was ze opgegroeid met vis, ze at het minstens twee keer per dag. Bewoners van Calcutta staan op met vis en gaar naar bed met vis en eten de staart, de eitjes en de kop en je kunt er altijd vis kopen, overal, dag en nacht. ‘It is very frustrating’, Mrs Sen apologized, with an emphasis on the second syllable of the word. ‘To live so close to the ocean and not to have so much fish’. De moeder van Eliot suggereert dat ze eens naar de supermarkt moet gaan. Maar dat heeft Mevrouw Sen al geprobeerd. Mrs Sen shook her head. ‘In the supermarket I can feed a cat thirty-two dinners from one of thirty-two tins, but I can never find a single fish I like, never a single’.

De analogie tussen Lahiri en Daphne in The New Yorker is dubbelzinnig. Lahiri moest niet alleen vluchten voor de aanspraken van het Engels en alles wat daarbij hoort, maar was zélf als Apollo op jacht naar het vluchtende Italiaans. Zal de nieuwe taal zich laten veroveren, of is het schors ondoordringbaar en wijkt het hout voor haar kussen? Je mag hopen dat haar migrantenverhalen in het Italiaans net zo indringend zijn als in het Engels.

 

 illustraties:
Jhumpa Lahiri; bronnen resp. www.vogue.com en indianquarterly.com