Jacob van Lennep was een duizendpoot, zijn biograaf Marita Mathijsen is vol bewondering in haar zojuist verschenen, alom geprezen levensbeschrijving van de man. Dichter, toneelschrijver, romanschrijver, historicus, criticus, vertaler, secretaris—ik doe maar een greep. Daarnaast nog een imponerende reeks maatschappelijke functies, waaronder volksvertegenwoordiger, lid van de Commissie voor de Landbouw, voorzitter van van alles en nog wat. Je krijgt de indruk dat heel negentiende eeuws Nederland om hem draaide. Een onmisbare spil, die ook nog tijd had voor ‘schavuitenstreken’, zoals Mathijsen onder andere zijn activiteiten als womanizer betitelt.

Toch kwam er een gevoel van tragiek bij me op toen ik me afvroeg waartoe die koortsachtige werkdrift uiteindelijk heeft geleid. Van Lennep heeft gezorgd dat Max Havelaar werd gepubliceerd, zij het in ‘gekuiste’ vorm. Hij kreeg er ruzie over met de schrijver, Eduard Douwes Dekker, maar dat boek wordt nog steeds gelezen, gelukkig in de ‘ongekuiste’ versie. Wie leest Van Lennep eigenlijk zelf nog? Of al die andere schrijvende kameraden van hem? Zijn Britse tijdgenoot Charles Dickens was ook een schavuit en een womanizer, schreef misschien iets minder woorden dan Van Lennep, maar geldt nog steeds als een geniaal schrijver, op eenzame hoogte. David Copperfield, Oliver Twist, Great Expectations, A Tale of Two Cities, The Pickwick Papers, Little Dorrit, Martin Chuzzlewit, Bleak House… stuk voor stuk meesterwerken die aldoor opnieuw gelezen worden, generatie na generatie. En hoe zit het met De Roos van Dekama, of De lotgevallen van Ferdinand Huyck, Elizabeth Musch, Klaasje Zevenster, Het nachtegaaltje? De vraag stellen, is haar beantwoorden. De titels van Dickens heb ik paraat, die van Van Lennep moet ik opzoeken. Maar ik geef toe, ik ben vermoedelijk geen goede maatstaf.

Buiten de letterkunde heeft Van Lennep veel goeds verricht, zowel voor bepaalde personen als in het algemeen. Mathijsen geeft een indrukwekkend overzicht. Persoonlijk werd ik getroffen door zijn werk voor de Amsterdamse choleracommissie. De biograaf meldt in haar proloog dat Van Lennep het initiatief nam tot de Amsterdamse duinwaterleiding en dat hij daarmee de stad vrijwaarde voor een epidemie van de gevreesde ‘moerasziekte’ uit het verre Bengalen, zoals sommige tijdgenoten de cholera omschreven. En zo kreeg Amsterdam als eerste Nederlandse stad waterleiding. Wat weer tot gevolg had dat bij de eerstvolgende cholera-epidemie Amsterdam gespaard werd, zoals Mathijsen schrijft. Later in haar boek vertelt ze hoe Van Lennep in 1832 bij de (eerste) epidemie betrokken raakte. Hij bracht de zomer, zoals gebruikelijk, buiten de stad door. De eerste ziektegevallen vielen in augustus als gevolg van de besmetting door een schipper uit Rotterdam. In september trok Van Lennep naar de stad. Hij werd gevraagd zitting te nemen in de commissie die zich bezighield met de ziekte in de ‘Medicinale Wijk 8’. Welk deel van de stad met ‘wijk 8’ overeenkwam, meldt Mathijsen niet, wél dat Van Lennep weinig onder de indruk was van zijn ervaringen in de commissie. Desalniettemin zou hij zich dertig jaar later inzetten voor de Amsterdamse waterleiding om volgende epidemieën te voorkomen.

Een heldenrol, dat mag je zeggen. Maar of het wáár is, valt nog te bezien. De biograaf is weinig precies met haar gegevens. Vielen er inderdaad 1200 doden in Amsterdam, zoals ze beweert? Op een bevolking van omstreeks 200.000 lijkt dat heel wat, maar het viel mee. Ongeveer 1500 mensen werden ziek, 800 mensen vonden de dood. De cholerasterfte was omstreeks 4 promille, dat komt overeen met de sterfte in Londen, maar in vergelijking tot andere steden is het getal buitengewoon laag: Glasgow 15 promille, Parijs bijna 22 promille, Dublin 30 promille, Stockholm en St Petersburg omstreeks 40 promille en in heel Hongarije maar liefst 65 promille—ruim twee procent van de totale bevolking was dodelijk slachtoffer. De cijfers krijgen nog meer perspectief als je beseft dat de slachtoffers ongelijk over de stad verdeeld waren. Mathijsen wijst daar ook op en meldt dat vooral de Jodenbuurt getroffen werd. Niet helemaal juist, want ook de Jordaan bleek een uiterst kwetsbare buurt. In die twee concentratiegebieden lag de mortaliteit vermoedelijk aanzienlijk boven de 20 promille. Kijk je niet op wijkniveau maar op straatniveau dan vallen de verschillen nog sterker op. In wijk 6A, de Jodenbuurt, is bijna driekwart van de dodelijke choleraslachtoffers afkomstig van hoogstens vijf plekken: Marken, Uilenburg, Batavierstraat, Joden Houttuinen en Wijden Gang. In wijk 11A, Jordaan, zie je hetzelfde patroon: ruim 90% van de zieken en doden vind je op slechts vier plekken: Palmstraat, Goudsbloemstraat, Lindengracht en, vooral, Goudsbloemgracht. In de grachtengordel van Van Lennep, met name de Herengracht en Keizersgracht, komen vrijwel geen slachtoffers voor—een handvol, en dan nog met name uit de kleine verbindingsstraatjes.

 


De Goudsbloemgracht ten tijde van de eerste cholera-epidemie

Behalve een geografische concentratie kun je ook een sociale concentratie onderscheiden. De meeste slachtoffers vallen onder mensen die vanwege hun werk met anderen in aanraking komen: sjouwerlieden, kruiers, schepelingen, matrozen, venters, werksters. Het Amsterdamse patroon komt precies overeen met dat van andere steden, zij het dat de epidemie hier dus een betrekkelijk geringe intensiteit heeft. Dat zal de rest van de eeuw niet anders zijn, de stad is kennelijk nogal gezond. Het geeft misschien aan waarom Van Lennep weinig geschokt is door zijn bemoeienis met de choleracommissie. Als dat tenminste klopt.

Dat hij deel uitmaakte van zo’n commissie was overigens geen speciale verdienste. Honderden aanzienlijke burgers werden door de stedelijke overheid opgeroepen om zich voor die commissies beschikbaar te stellen. Ook artsen en politiemensen maakten er deel van uit. Sommige commissies deden hun werk naar behoren, andere maakten er een puinhoop van. Van de aanbevelingen die gedaan werden, zag je nooit meer iets terug. De commissieleden klaagden over de stinkende bergen afval waarmee de grachten vol lagen, of over de onaanvaardbare toestand van de woonruimten waar de slachtoffers vielen. Met verwijzing naar de huiseigenaren en de gemeentelijke overheid waren er blijkbaar altijd excuses om aan dat soort misstanden niets te doen. Bij iedere volgende epidemie kwamen weer precies dezelfde klachten op.

Dat Van Lennep zich bemoeide met de waterleiding hoeft ook niet per se voort te komen uit zijn scherpe inzicht en maatschappelijke voelsprieten. De ‘waterleidingduinen’ waren particulier bezit, in handen van Amsterdamse aanzienlijke families en in gebruik als jachtgebied. De Oranjekom die in eerste instantie het schone water leverde aan de stad, was eigendom van de Van Lenneps: zij moesten toestemming geven voor het water. Mathijsen vermeldt niet of de familie financieel geprofiteerd heeft van deze transactie. Vanaf 1853 (en dus niet pas in 1862, zoals Mathijsen aangeeft) kon je in Amsterdam een emmer schoon water krijgen voor een paar dubbeltjes, in eerste instantie aangevoerd per waterschip op het Amstelveld. Werd daarmee de stad gevrijwaard van verdere epidemieën? Je gunt het Van Lennep natuurlijk graag, en vooral de biograaf zal met genoegen het mooie karakter van haar held onderstrepen, maar na 1832 zijn er nog minstens zes grotere en kleinere epidemieën in Amsterdam te betreuren geweest, ook ná het schone Van Lennepwater van 1853.

 


De grote cholera-ontdekker, Robert Koch

Jacob van Lennep heeft tijdens de grote cholera-epidemieën niet zo’n uitzonderlijke rol gespeeld als Mathijsen ons wil laten geloven. Ze suggereert dat hij al in 1832 wist dat er een verband zou bestaan tussen de cholera en schoon water, of tenminste dertig jaar later bij de aanleg van de waterleiding. Maar dat kan niet kloppen, want pas in de jaren 1880 ontdekte Robert Koch hoe het écht zat met de cholera Of dit veel afdoet aan Van Lennep’s statuur weet ik niet. Hoe meet je zoiets? Hij wordt er in ieder geval wel een beetje ‘gewoner’ van.

 

illustraties:

Robert Koch; bron: lshtm.ac.uk
Jacob van Lennep; bron: muizenest.nl
Goudbloemgracht omstreeks 1830; bron: Lodewijk Brunt en Heleen Ronden, Een vijand nooit gekend. De cholera in Amsterdam, 1832. In: Mens & Maatschappij. Speciaal nummer over De stad onder redactie van C.I. Cruson en J. Dronkers, 1990: 29 – 51