Nawab Shafath Ali Khan zit op de motorkap van zijn jeep, de benen geplaatst over het rooster op de bumper. Hij heeft bergschoenen aan, een khakibroek en een militair jack, in schutkleuren, daaronder een soortgelijk overhemd. Hij draagt een bril en op zijn hoofd een ouderwetse pet, de klep tot op zijn wenkbrauwen omlaag getrokken. Ongetwijfeld om zijn ogen tegen de zon te beschermen, want hij speurt de verre verten af. Khan woont teruggetrokken in de Nilgiri Hills, een van de vele Hill Stations in Zuid-India, bij de grens tussen Tamil Nadu en Karnataka. Hij is de telg uit een adellijke familie te Hyderabad. Zijn beroep is jager en hij komt in actie als het wettelijke gezag om zijn diensten vraagt: het schieten van zwijnen, olifanten, tijgers. Het jagen als vrijetijdsbesteding of sport is in India verboden, beroepsjagers worden door de overheid ingeschakeld als wilde dieren nederzettingen op het platteland bedreigen. Ik zag Khan’s portret in een weekendbijlage van Financial Times (17 december 2017), over de volle breedte van twee pagina’s.

 


Jagen om te doden

Opmerkelijk genoeg suggereert Amy Kazmin, die Khan in zijn habitat heeft opgezocht, dat de plaag die tijgers (of ander groot wild) hier en daar teweegbrengen het gevolg is van de bescherming die de beesten genieten. Curieus. De reden die eerder genoemd zou moeten worden is, dunkt me, de steeds verdere inperking van de gebieden waar het wild nog te vinden is. Landbouwgebieden breiden zich in hoog tempo uit, bossen worden gekapt, de Indiase bevolking neemt razendsnel toe. Khan is een bewonderenswaardige figuur in het portret: hij beschermt immers weerloze dorpelingen. Onlangs verdoofde hij een tijgerin die twee mensen had gedood en schoot hij een dolle olifant dood die in Bihar zo’n vijftien mensen had vertrappeld. De week voor de ontmoeting tussen Khan en Kazmin had hij nog een luipaard neergelegd die zeven mensen in Maharashtra had doodgebeten. Heldendaden als je het goed beschouwt. De dood van een paar tijgers valt daarbij in het niet.

Khan is van jongsaf aan vertrouwd met de jacht. Zijn grootvader was een bekende olifantenjager in de koloniale tijd en Khan ging al mee op jacht toen hij nog maar vijf jaar was. ‘Jachtavonturen en de geheimen van de jungle vormden de belangrijkste gespreksstof aan tafel’, zegt Khan. Klassiek! De jacht was onder de Indiase aristocratie inderdaad een geliefde bezigheid, menige jonge prins of prinses kon schieten als de beste voordat hij of zij kon lezen of schrijven. Charles Allen citeert in zijn befaamde Lives of the Indian Princes de heerser van Dungapur, die laat zien dat het schieten van de ‘grote kat’ een soort initiatierite is, die een gevoel van great exhilaration opwekt. Ik was 10 jaar en 10 maanden toen ik mijn eerste panter schoot. Ik had leren schieten van een oude soldaat. Hij zat naast me en toen de panter tevoorschijn kwam, tikte hij alleen maar op mijn schouder en zei: ‘Blijf kalm, richt zorgvuldig, wacht even tot je zijn zijkant hebt en schiet hem dan door het hart’. Ik luisterde goed en ik was er klaar voor. Volkomen kalm wachtte ik af en schoot hem precies op de goede plek.

Vooral de tijgerjacht stond in hoog aanzien. Ook mensen die hun reserves hadden over deze ‘sport’ gingen enthousiast mee als ze werden uitgenodigd voor een shikar (शिकार), jachtpartij. Ieder inheems vorstendom van standing had een eigen jachtministerie dat zorgde voor voldoende wild. Als de vorst zin had om te jagen, moest er wat te schieten zijn. Want wie het meest schoot, stond het hoogst in aanzien. Het ministerie hield nauwkeurig de boeken bij met jachtresultaten, sommige vorsten hebben in hun actieve leven vele honderden tijgers neergeschoten, om maar te zwijgen over de talrijke herten, beren, neushoorns, olifanten, eenden, varkens, patrijzen. In Udaipur werd ’s zomers op tijgers gejaagd, ’s winters op panters en varkens, in de grote vorstendommen had je speciale jachtgebieden voor bepaalde dieren. De organisatie van een shikar leek op een militaire expeditie waar duizenden bedienden, koks, technici, hulpjagers en genietroepen bij betrokken waren. Het gezelschap verplaatste zich per olifant of per paard en in een eindeloze rij wagens werden hele steden van tenten meegevoerd. De vorst en zijn voornaamste gasten konden beschikken over gerieflijke onderkomens met speciale tentjes voor baden, toiletten en persoonlijke bedienden. Sommige vorsten namen hun harems mee. De vorst bepaalde wat er geschoten zou worden en wie al dan niet mocht schieten. Iedere vorst stelde er een eer in dat zijn gasten grotere tijgers schoten dan de gasten van een andere vorst. Speciale meetlinten waren bedoeld om met die maten te smokkelen. Zoals Allen schrijft: … if a VIP guest came to Baroda and didn’t shoot a tiger and went to Gwalior and shot one, then Baroda would be looked upon by the princes as a third-rate state that couldn’t produce a tiger for a VIP. Om er zeker van te zijn dat er raak geschoten werd, nam men zijn toevlucht tot allerlei middelen. Een buffel die als lokaas moest dienen werd helemaal ingesmeerd met opium om de tijger te drogeren. Allen citeert iemand die had meegemaakt dat er in Gwalior een tijger werd doodgeschoten die zijn roes lag uit te slapen.

Maar de jacht op tijgers was niet de enige vorm van vermaak. William Knighton publiceerde in 1855 zijn beroemde The Private Life of an Eastern King over het koninkrijk Oudh. Ook hier uiteraard volop jachtpartijen, het boek bevat het uitvoerige verslag van een eendenjacht, maar eveneens oog voor de amusements in het paleis. Vooral de after-dinner sports zijn populair: tafelgevechten van hanen, patrijzen, kwartels. En op de binnenplaats tijgergevechten. De auteur beschrijft tot in detail het gevecht tussen Kagra en de Terai-wallah. Hoe de tijgers een paar dagen voor het gevecht niets meer te eten en te drinken krijgen en dan tegen elkaar worden opgehitst. De dieren verscheuren elkaar en terwijl het gevecht bezig is, zetten de toeschouwers grote bedragen in op hun favoriet. De tijgers worden na afloop met gloeiende staven weer in hun kooien gedreven en afgevoerd. Een welbestede avond. It was a spectacle of startling interest, zegt Knighton, and however you may turn away, good madam, and exclaim horrible! or savage! believe me there were many elements of the sublime in that contest; and doubtless such contests often take place in the jungle.

 


Op leven en dood

Khan weigert om te onthullen hoeveel gevaarlijke dieren hij heeft doodgemaakt. Hij zegt hij tegen de verslaggeefster van Financial Times dat hij voorzichtig moet zijn—de lobby voor animal rights is sterk in India. Maar hij legt er de nadruk op dat hij uitsluitend handelt op verzoek van overheden: het zijn uiteindelijk de ambtenaren die beslissen over het lot van de dieren. Ik ben alleen maar de beul, ik leg de knoop om de nek van de veroordeelde en open het valluik. De nawab zet een lange traditie voort.

 

illustraties:
tijgerkop en tijgergevecht; bron: wnf.nl
jachtgeweer; bron: jagersverenging.nl