Adam Gopnik schrijft in The New Yorker (26 september 2016) dat hij in zijn lange leven als journalist drie mensen heeft ontmoet die iets ‘heiligs’ uitstraalden: Iona Opie, I.F. Stone en Jane Jacobs. They could say an obvious thing with the conviction that comes from having really found it out. They spoke for many, because they thought for themselves. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Jane Jacobs werd geboren, een uitgekiende gelegenheid voor de publicatie van nieuwe biografiëen en verzamelbundels van verspreide geschriften. Gopnik herinnert zich dat The Death and Life of Great American Cities in 1962 werd besproken door Lewis Mumford, toonaangevend stadshistoricus, onder de titel De huismiddeltjes van Moeder Jacobs: de typering was raak en is altijd blijven hangen. Een doodgewone huismoeder uit Greenwich Village die haar buurt probeerde te beschermen tegen de destructieve plannen van de stedelijke vernieuwingsmoloch–in haar geval de machtige stedenbouwkundige Robert Moses die van plan was om, naast de vernielingen die hij al had aangericht, een brede snelweg door de woonbuurt rond Washington Square aan te leggen.

 

 

Je moet eropuit trekken en rondlopen, schreef ze. Dan zie je dat het stadscentrum maar een betrekkelijk klein gebied is, en dat je daarbuiten al snel in een vacuüm terechtkomt. In het centrum bestaat een sterke neiging tot ‘indikking’, de dichtheid en compactheid nemen steeds toe. The tendency to become denser is a fundamental quality of downtown and it persists for good and sensible reasons. Je vindt deze regels in Downtown is for People, het laatste hoofdstuk in The Exploding Metropolis, dat eind jaren 1950 verscheen onder redactie van William H. Whyte. Het boek kwam uit in de periode dat er op grote schaal stadsvernieuwing werd toegepast in de Verenigde Staten in antwoord op verkrotting en verloedering. Na de Tweede Wereldoorlog nam de verstedelijking in rap tempo toe, veelal in de vorm van recente migranten uit de Zuidelijke deelstaten en uit Latijns-Amerika, Mexico, Puerto Rica, Cuba. Woonruimte was schaars en als gevolg van overbevolking nam de kwaliteit van de beschikbare woonruimte dramatisch af. Huisjesmelkers speculeerden erop los en lieten hun appartementen graag verslonzen. Zo’n beetje half Harlem werd in de fik gestoken vanwege de verzekeringsgelden. Planologen spraken over stedelijke uitslag, een soort schimmel dat de structuur van de stad zou aantasten en de hele stedelijke gemeenschap in gevaar zou brengen. Alleen grootschalige sloop en nieuwbouw kon redding brengen. Hele wijken werden met de grond gelijkgemaakt, waarnemers van buiten dachten dat er een oorlog had gewoed. Jane Jacobs maakte bezwaar: de nieuwe plannen, schreef ze, zullen het centrum niet revitaliseren, integendeel, ze zullen de stad juist verder doodmaken. En waarom? Omdat ze, de plannenmakers, de straat willen afschaffen, met al haar functies en variaties. Ze zag in dat er van alles verbeterd kon worden aan huizen, vervoer, belastingen, vastgoedprijzen, parkeerproblemen, maar de vernieuwers zouden zich in de allereerste plaats moeten realiseren wat stadscentra zo aantrekkelijk maakt: de vrolijkheid, verbazing, het blijmoedige geroezemoes dat mensen aantrekt en verleidt om er tijd door te brengen en rond te lopen. Magnetism is the crux of the problem, aldus Jacobs, all downtown’s values are its byproducts.

Jacobs had het stuk geschreven op uitdrukkelijk verzoek van Whyte. Hij had haar horen spreken tijdens een congres op Harvard University, waar ze bij toeval aanwezig was. Haar baas zou spreken, maar was verhinderd: hij had Jacobs gevraagd hem te vervangen. Haar toespraak was kort maar krachtig, ze had een panische angst voor het spreken in het openbaar: ze zette in nuchtere woorden uiteen wat later haar voornaamste boodschap zou blijven: de stad is er voor de bewoners, niet voor de autoriteiten. Daar had ze niet voor gestudeerd, haar overtuiging kwam voort uit haar eigen ervaringen in de buurt waar ze woonde: Hudson Street, Greenwich Village.

De belangstelling voor de grote stad is Jacobs niet komen aanwaaien. Ze werd als Jane Butzner geboren in Scranton, een klein mijnwerkersstadje in het noordoosten van Pennsylvanië. Maar de overlevering wil dat ze als jong meisje haar lerares hoorde beweren dat alle steden altijd in de buurt van watervallen zijn ontstaan. Jane protesteerde en zei dat er weliswaar een waterval te zien was in het park bij haar ouderlijk huis, maar dat de ontwikkeling en groei van Scranton dasar helemaal niets mee te maken had. Jane Butzner was eigenzinnig en liet zich geen onzin verkopen, zoveel is duidelijk. Ongetwijfeld mede dankzij een progressieve opvoeding door verlichte ouders: vader huisarts, moeder verpleegster en schooljuffrouw. Gopnik beschouwt Jane Butzner als een getalenteerde, opstandige Amerikaanse meid die vroeg haar eigen weg ging—hij noemt de schrijfster Louisa May Alcott als een verwante geest. Zelf zou ik misschien eerder denken aan Margaret Mead, ook met twee academisch geschoolde, stimulerende ouders.

 

 

In Nederlandse beschouwingen over Jane Jacobs wordt ze steevast aangeduid als ‘socioloog’, een paar dagen geleden nog in de krant. Een merkwaardig verzinsel. Jane maakte in 1933 met succes de Central High School van Scranton af, maar wilde beslist niet verder studeren: I am thoroughly sick of school and eager to get a job. Haar ambitie was om ‘iets met schrijven’ te doen, journalistiek bij voorbeeld. Af en toe schreef ze gedichten die volgens sommigen veelbelovend waren. Haar eerste baan was onbezoldigd hulpje van de redacteur ‘Vrouw’ bij de Scranton Tribune, waar ze schreef over trouwerijen, partijtjes, kerkelijke hoogtijdagen, en af en toe over zaken waarvoor ze authentieke belangstelling had. Op haar achttiende vertrok ze naar New York, waar ze op kamers ging met haar oudere zus Betty. Ze pakte alles aan wat ze krijgen kon—de crisis had hard toegeslagen in de stad en ze maakte van haar sollicitatiegesprekken gebruik om door verschillende buurten van de stad te zwerven. Zo verloor ze haar hart aan Greenwich Village. Soms kon ze een stuk kwijt aan de New York Herald Tribune, soms aan een blad als Vogue. Terwijl ze overdag geld verdiende als secretaresse volgde ze colleges aan Columbia University: geologie, scheikunde, zoologie, rechten, economie, politicologie. In 1945 kreeg ze een positie als reporter bij Amerika Illustrated, een sjiek tijdschrift van het Ministerie voor Buitenlandse Zaken dat was bedoeld om in Rusland verspreid te worden; zo kon je laten zien dat het kapitalisme beter was dan het communisme. In 1944 ontmoette ze haar grote liefde Robert Hyde Jacobs Jr, architect, met wie ze trouwde en een gezin stichtte: ze kreeg eerst twee zoontjes, later nog een dochter. Ze werd zonder enige scholing als architect redacteur bij het prestigieuze tijdschrift Architectural Forum en schreef op haar eigen verzoek aanvankelijk stukken over de architectuur van scholen en ziekenhuizen, later ook over planologie en stedenbouw. In 1956 verving ze haar hoofdredacteur tijdens het Harvard-congres. De rest is, zoals we weten, geschiedenis.

Death and Life heeft de tand van de tijd uitstekend doorstaan, het boek wordt soms een tijdje vergeten, maar komt steeds weer boven in discussies over stedelijke problematiek. Jane Jacobs heeft zo’n imposante reputatie dat iedereen er een eer in lijkt te scheppen haar ten voorbeeld te stellen. Dat ze daarbij dikwijls voor een volstrekt verkeerd karretje wordt gespannen, doet blijkbaar aan haar status niets af. Ze is onaantastbaar.

 

illustraties
Jane Jacobs en Robert Moses; bron: www.slate.com
Jane Jacobs; bron: centerforthelivingcity.org; citylab.com; metropolismag.com