Je zou Joseph (‘Joe’) Mitchell een ‘literair journalist’ kunnen noemen. Het begrip werd gebruikt door Norman Sims in zijn verzamelbundel van journalistieke reportages: The Literary Journalists. Het boek dateert uit het begin van de jaren 1980 en was min of meer bedoeld als reactie op de door Tom Wolfe gepresenteerde ‘nieuwe journalistiek’. Deze zou zijn hoogtepunt hebben gehad in de jaren 1960 en 1970—het befaamde overzicht The New Journalism, samengesteld door Tom Wolfe en E.W Johnson, verscheen tien jaar voor The Literary Journalists. Het was ongetwijfeld programmatisch bedoeld dat daarin bijdragen te vinden waren van zowel journalisten als romanschrijvers: Truman Capote, Norman Mailer aan de ene kant en Gay Talese, Joe Eszterhas, Tom Wolfe, Joan Didion anderzijds. En… geen toeval dat Tom Wolfe inmiddels een breed spoor heeft getrokken door de romanliteratuur; niet als enige van zijn soort. De scheidslijnen doorbroken.

Het gaat bij de nieuwe journalistiek om de toenadering tussen documentaire verslaggeverij en ‘hogere’ literatuur: journalistieke reportages waarbij ten volle gebruik wordt gemaakt van literaire technieken, zonder de feitelijke grondslag uit het oog te verliezen. Sims laat in zijn voorwoord bij The Literary Journalists zien, dat deze traditie allerminst bij Tom Wolfe en de zijnen begonnen is, hij spreekt over een ‘respectabele geschiedenis’ en noemt als voorbeelden A.J. Liebling, James Agee, George Orwell, John Hersey, Lillian Ross en, inderdaad, Joseph Mitchell. Liebling en Mitchell waren trouwens goede vrienden toen ze beiden voor The New Yorker werkten.

Joe Mitchell? De laatste tijd stond hij weer in de belangstelling. Een jaar geleden verscheen zijn alom bejubelde biografie, door Thomas Kunkel: Man in Profile: Joseph Mitchell of The New Yorker. Dat was en is nog steeds aanleiding tot studiedagen, discussiebijeenkomsten, achtergrondartikelen. Persoonlijk had ik dezer dagen het genoegen om voor Literair Nederland de Nederlandse vertaling van McSorley’s Wonderful Saloon (oorspronkelijk uit 1943) te recenseren, een van de schaarse bundelingen van reportages en korte verhalen die na Mitchell’s dood (1908-1996) heruitgegeven zijn.

Ik zag onlangs een opname van een discussie onder leiding van The New Yorker-hoofdredacteur David Remnick, waaraan ook Thomas Kunkel deelnam. Onherroepelijk kwam het thema aan de orde: fictie of feitelijk? Ik bespeur een zekere verwantschap met de kwestie ‘Vorm of Vent’, waarover ik onlangs op deze plek mijn gedachten liet gaan–ook een kwestie waarover mensen zich altijd maar blijven opwinden. Mitchell’s stijl is bijna poëtisch te noemen, hij heeft een buitengewone gevoeligheid voor ritme, rijm en opsommingen, sommige van zijn stukken zijn subtiel als strijkwartetten. Toch schrijft hij allerminst over zogenaamde hoogstaande onderwerpen, integendeel: hij is de verslaggever van mensen aan de onderkant, of zijkant, van het stedelijke leven—bedelaars, straatpredikanten, kroeglopers, kermisattracties, zigeuners, Indianen, visverkopers, mosselkwekers.

 

 

Hij kwam als jonge, net-afgestudeerde boerenzoon uit North-Carolina naar New York en wist niet wat hij zag, het leven in de grote stad overweldigde en fascineerde hem. Van zijn eerste chef bij de Herald Tribune kreeg hij te horen dat hij pas een goede verslaggever kon worden als hij zich aan drie opdrachten zou houden: walk!, walk!, walk! En dat deed-ie, met overtuiging. New York was een paradijs voor hem, niet alleen Manhattan, maar ook Brooklyn, Queens, de Bronx, Staten Island. Vanaf 1933 begon hij af en toe stukken te schrijven voor The New Yorker, dat toen al de toonaangevende positie innam die het blad nog steeds bezet, en in 1938 werd hij door hoofdredacteur/oprichter Harold Ross tot vaste medewerker benoemd. De rubriek Profile paste hem als een handschoen, een plek om interessante personen en instellingen te belichten aan de hand van interviews, beschrijvingen en achtergrondgegevens. En wie voor The New Yorker werkt, krijgt volop de gelegenheid om te schitteren, want een stuk hoeft niet per se morgen al geschreven te zijn: neem je tijd. Mitchell was als verslaggever bij een dagblad gewend om soms wel twee of drie stukken per dag te produceren, maar kreeg nu dus ruimschoots de tijd om zijn onderwerpen uit te diepen en er iets moois van te maken. De generositeit van The New Yorker krijgt een extra dimensie als je bedenkt dat Mitchell na 1964 nog decennia lang in dienst is geweest zonder ooit nog een letter te publiceren.

Kenmerkend voor Mitchell’s reportages zijn de lange monologen. Mensen vertellen hun eigen verhaal. In Mr Hunter’s Grave—dat door velen wordt gezien als zijn allermooiste stuk—is de oude Meneer Hunter pagina’s lang aan het woord. Hij vertelt over zijn eigen leven en omstandigheden, over de geschiedenis van Sandy Ground, de oude kolonie van mosselkwekers, gesticht door weggelopen slaven, en over de gedenkstenen op de plaatselijke begraafplaats. Op een van de grafstenen staat de naam van Meneer Hunter zelf, met zijn geboortejaar. Maar het graf is niet diep genoeg, zodat hij uiteindelijk ergens anders zal moeten liggen. Overrompelend.

 

 

Desondanks de hamvraag: is dit feitelijk of fictie? Als je Meneer Hunter aan de hand van Mitchell’s verslag hoort praten, besef je dat niemand zo praat en dat geen enkel gesprek op die manier zou kunnen verlopen. Korte onderbrekingen zijn niet het gevolg van een vraag die Mitchell stelt, maar van een verwijzing naar de omstandigheden: We walked in silence for a few minutes, and then Mr Hunter sighed and said, ‘Ah, well!’ of We stepped back into the road, and walked slowly up it of We stopped before a stone whose inscription read… of Mr Hunter turned and looked back over de rows of graves. Juist. De monologen zijn uiteraard ‘constructies’, ingedikte stukken tekst die door Mitchell verzameld zijn tijdens verschillende gesprekken—in het geval van Meneer Hunter misschien wel tien ontmoetingen, hoewel je op grond van de mededelingen in de reportage zelf zou kunnen denken dat ze elkaar maar één keer hebben gezien.

Een andere techniek die door Mitchell soms wordt toegepast is wat je het ‘samengestelde portret’ zou kunnen noemen. Meneer Flood, de seafoodetarian van de Fulton Vismarkt, is in feite een samenstelling (composite) van verschillende visboeren. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor King Cockeye Johnny, een van de zigeunerkoningen van New York en wellicht voor nog meer ‘personages’ uit Mitchell’s reportages. Het zijn geen opzienbarende ingrepen, hoewel Remnick tijdens de discussie opmerkte dat Mitchell’s reportages in ‘zijn’ The New Yorker niet meer in die vorm zouden kunnen verschijnen: lezers moeten uitdrukkelijk worden geïnformeerd over het feitelijke karakter van de stukken die ze lezen.

Dat mag zo zijn. Blijft staan dat Joe Mitchell’s werk nog weinig van zijn actualiteit verloren heeft. Het werd tijdens de bijeenkomst met Thomas Kunkel uitdrukkelijk geformuleerd: als journalist moet je niet alleen veel lopen, maar ook goed luisteren. En Mitchell kon dat als geen ander. Hij had respect voor zijn ‘informanten’. Het zogenaamde ‘vraag-en-antwoord’-portret dat je tegenwoordig in alle kranten ziet, is de dood voor de journalistiek. Als verslaggever moet je leren om je waffel te houden als je mensen aan het woord laat, het gaat niet om jou, het gaat om hen. De overtuigingskracht van literaire journalisten zou voorts moeten schuilen in de details die ze opmerken, Mitchell was een grootmeester. Dat hij daarnaast bijzonder geestig was, heeft hem geen kwaad gedaan.

 

illustraties:
Joseph Mitchell; bron: nytimes.com
Joseph Mitchell in actie; bron: youtube.com
Thomas Kunkel ondervraagd; bron. youtube.com