In de geschiedenis van de roman speelt het coming-of-age thema een belangrijke rol; niet ten onrechte wordt de jeugd, vooral een miserabele jeugd, de goudmijn van een schrijver genoemd. Ik heb er nooit een boekhouding over bijgehouden, maar ik moet tientallen van zulke romans hebben gelezen. Sommige staan me helder voor de geest: onvergetelijke, voorbeeldig geschreven ‘levensgeschiedenissen’, waarin de protagonist geleidelijk aan verandert van een onschuldige, naïeve jongeling in een wereldwijze beschouwer van de menselijke tekorten. Wait Until Spring, Bandini van John Fante was zo’n mijlpaal, evenals Saul Bellow’s The Adventures of Augie March en, vooral niet te vergeten, Mark Twain’s Adventures of Huckleberry Finn. De lijst is naar believen uit te breiden, er is eigenlijk geen beginnen aan. Toch moeten er zeker nog twee titels bij: James T. Farrell’s trilogie over Studs Lonigan: Young Lonigan, The Young Manhood of Studs Lonigan en Judgement Day en, uiteraard, J.D. Salinger’s The Catcher in the Rye. Het zijn stuk voor stuk boeken die het genre belichamen, maar dit door hun unieke kwaliteiten tegelijkertijd overstijgen.

Ondanks de overeenkomst in thematiek, gaat het om romans met een uitgesproken eigen karakter en je vraagt je af op welke gronden je de boeken onderling zou kunnen vergelijken. Waarom spreekt het ene verhaal je meer aan dan het andere? Ik heb me zojuist, toevallig, verdiept in drie romans waarbij die vraag steeds naar boven kwam. Waarschijnlijk door een aantal sterk overeenkomstige situaties die beschreven worden.

In A Portrait of the Artist as a Young Man beschrijft James Joyce hoe Stephen Dedalus wordt geslagen door Father Dolan. Een aangrijpende scène omdat de straf totaal misplaatst is en de jonge Stephen zich later bij de rector gaat beklagen over het onrecht dat hem is aangedaan. Stephen kan niet met de klas meeschrijven omdat zijn bril kapot is, maar Father Dolan beschuldigt hem van luiheid en leugens.

Out here, Dedalus. Lazy little schemer. I see the schemer in your face (…) I know that trick.

Father Dolan heeft een ouwelijk, witgrijs gezicht, draagt een stalen brilletje voor zijn kleurloze ogen. Stephen moet zijn handen ophouden en krijgt er van langs met het Spaanse rietje.

A hot burning stinging tingling blow like the loud crack of a broken stick made his trembling hand crumple together like a leaf in the fire: and at the sound and the pain scalding tears were driven into his eyes.

Hoogstaande literatuur, zuivere poëzie.

 

 

David Copperfield–protagonist uit de gelijknamige roman waarin Dickens veel van zijn eigen leven verwerkt heeft–komt ook op kostschool, net als Stephen Dedalus, en krijgt daar te maken met directeur Mr. Creakle. Deze is op de hoogte van het feit dat David een vroegere onderwijzer in zijn hand heeft gebeten toen hij om niets bont en blauw werd geslagen. Jij bent beroemd omdat je kunt bijten, zegt de directeur tegen David tijdens hun eerste ontmoeting, maar dat kan ik ook!

He then showed me the cane, and asked me what I thought of that, for a tooth? Was it a sharp tooth, hey? Was it a double tooth, hey? Had it a deep prong, hey? Did it bite, hey? At every question he gave me a fleshy cut with it that made me writhe (…) and I was soon in tears’.

 

 

Dickens maakt weinig woorden vuil aan de sadistische slagen met het rietje als zodanig—Joyce wijdt er bijna twee pagina’s aan—maar roept een sfeer van onrecht en intimidatie op met het portret van Mr. Creakle. Volstaat Joyce met een vluchtige schets van het gezicht van de priester, Dickens neemt juist zijn tijd om zowel Mr. Creakle als zijn vrouw en dochter uit te beelden, alsmede Mr. Tungay, de assistent van de directeur die hem als een schaduw volgt en alles herhaalt wat de baas zegt. Creakle en Tungay zijn mislukt in de hophandel en hebben hun geluk gezocht in het schoolsysteem; hun Salem House wordt gerund als een fabriek. Ze haten de leerlingen, noodzakelijk kwaad, die naar believen worden afgeranseld, vooral de kleintjes.

Mr.Creakle’s face was fiery, and his eyes were small, and deep in his head; he had thick veins in his forehead, a little nose, and a large chin. He was bald on top of his head; and had some thin wet-looking hair that was just turning grey, brushed across each temple, so that thew two sides interlaced on his forehead.

Maar wat David het meest opvalt is dat Mr. Creakle geen stem heeft, he spoke in a whisper.

Stephen Dedalus wordt verscheurd door twijfel over het geloof, de kerk, zijn eigen zondigheid–een groot deel van de roman is daaraan gewijd. Joyce laat Stephen zien in zo’n moment van vertwijfeling, gedreven door de behoefte om zijn zonden te biechten. Hij moet wachten, het is druk in de kerk, maar is uiteindelijk aan de beurt. De oude priester vraagt wanneer hij voor het laatst heeft gebiecht. Het moet zo ongeveer acht maanden geleden zijn.

Stephen begint… niet naar de mis geweest, niet gebeden, leugens verteld. Nog meer? Jazeker: boosheid, jaloezie, ijdelheid, ongehoorzaamheid en tenslotte, na gestotter, sins of impurity. Met jezelf? Nee… met anderen. Vrouwen? Ja, vader. Gehuwde vrouwen?

He did not know. His sins trickled from his lips, one by one, trickled in shameful drops from his soul festering and oozing like a sore, a squalid stream of vice. The last sins oozed forth, sluggish, filthy. There was no more to tell. He bowed his head, overcome. (…) You are very young, my child, the priest said, and let me implore of you to give up that sin.

Ook in Portrait of the Artist as a Young Dog, een bundel korte verhalen van Dylan Thomas—de titel is ongetwijfeld een knipoog naar de ‘grote’ Joyce—komt een biechtscène voor. In het verhaal The peaches. De kleine Dylan logeert bij zijn oom en tante en zijn oudere neef Gwilym die ambities heeft om priester te worden en in een oude schuur een kerkje voor zichzelf heeft ingericht waar hij preken en gezangen oefent. Hij heeft een fraaie deur op de kop getikt, maar de kieren en gaten in de schuur zijn groot genoeg om doorheen te kruipen. De deur kan dus altijd op slot blijven. Gwilym is ongeveer twintig en heeft het lichaam van een steel en het gezicht van een spade. You could dig the garden with him. De neef neemt Dylan en zijn vriendje Jack mee naar de schuur, klimt op een oude boerenkar die als preekstoel is ingericht en gebiedt de jongens te biechten.

Jack and I stood bareheaded in the circle of the candle, and I could feel the trembling of Jack’s body.
‘You first’, Gwilym’s finger, as bright as though he had held it in the candle flame until it burned, pointed me out, and I took a step towards the pulpit cart, raising my head.
‘Now you confess’, said Gwilym.
‘What have I got to confess?’
‘The worst things you’ve done’.

Maar de slechtste dingen zijn nog niet slecht genoeg en het eindigt ermee dat Jack begint te huilen en naar huis wil, terug naar z’n moeder.

 

 

Het zijn maar een paar voorbeeldjes, maar ze komen steeds op hetzelfde neer: schrijvers als Dickens en Thomas zijn uitbundige verhalenvertellers met grote aandacht voor details en een scherp oog voor de context. Van Joyce onthoud je misschien Stephen Dedalus en de roerselen van zijn geest, maar vrijwel niemand anders die in zijn roman figureert. Je beseft dat Joyce een groot schrijver is, maar het boek laat je emotioneel onberoerd. (Dat zou met Ulysses trouwens wel anders worden.)

Van Charles Dickens, daarentegen, blijven je onwillekeurig tal van personages bij, behalve David Copperfield zelf natuurlijk ook Mr. Creakle, Uriah Heep, Mr. Wilkins Micawber, Mr. Edward Murdstone, Little Emily, Clara Peggotty, Agnes Wickfield en nog anderen. Dylan Thomas heeft onsterfelijke figuren als Uncle Jim, Gwilym en Annie vastgelegd, grootvader Dai Thomas, Gilbert Rees, Patricia, Edith en Arnold Matthews. Als je aan ze terugdenkt moet je lachen, of komt er verontwaardiging in je op, het zijn mensen van vlees en bloed, je kent ze uit je eigen leven.

 

illustraties
James Joyce; bron: biography.com en mentalfloss.com
Charles Dickens; bron: twitter.com
Dylan Thomas; bron: libweb.lib.buffalo.edu