Mademoiselle Nadia Boulanger en haar studenten werden, lichtspottend, aangeduid als de boulangerie. De onderlinge banden waren sterk. Wie bij haar gestudeerd had, bleef tot aan de laatste snik haar leerling. Ze heeft tijdens haar lange loopbaan als muziekpedagoge vele duizenden studenten gehad, waaronder naar schatting meer dan zeshonderd Amerikanen– Virgil Thompson zei: Ieder stadje in Amerika heeft een drugstore en een student van Boulanger. Ook al voordat ze de directeur werd van het Amerikaanse Conservatorium in Parijs, had ze hoge verwachtingen van de Amerikaanse klassieke muziek – die zou volgens haar net zo’n stormachtige ontwikkeling ondergaan als eerder gebeurd was met de Russische muziek. De Franse muziek vond ze te cerebraal, haar leermeester Gabriel Fauré was een uitzondering – muziek moest volgens haar emotioneel zijn, persoonlijk, gedreven. Door haar aderen stroomde muziek. Haar grootouders en ouders waren vooraanstaande musici, haar vader won de Prix de Rome, zelf won ze bijna, in 1908, haar zusje Lili was een paar jaar later de eerste vrouw met de hoofdprijs. Hoewel Nadia aanvankelijk componeerde is ze daar op een gegeven moment rigoureus mee gestopt, ‘verdienstelijke muziek’ was haar niet goed genoeg. Haar ‘ontdekking’ van de madrigalen van Monteverdi maakte grote indruk in muzikale kringen. Ze ontwikkelde zich als dirigent, maar legde zich na de Tweede Wereldoorlog toe op muziekonderwijs, dat lag haar het kennelijk het beste. Niet dat ze bijzonder vriendelijk of toegankelijk was. Een van haar studenten merkte op: Hoewel ze haar best deed geduldig te zijn was het resultaat een imponerende muzikale persoonlijkheid die zich ergens bevond tussen intimiderend en angstaanjagend.

Ik kwam op haar via een omweggetje. Bij het afscheidsconcert van Mariss Jansons, eerder dit jaar, hoorde ik na lange tijd weer eens de Amerikaanse volksliedjes van Aaron Copland, gezongen door Thomas Hampson. Ik werd opnieuw getroffen door het muzikale plezier dat uit dit werk spreekt, de geestigheid, maar ook de toegankelijkheid. Schijnbaar doodsimpele muziek, recht uit het hart – het moet gezegd dat de begeleiding door het Concertgebouworkest aanzienlijk bijdroeg aan de feestvreugde, heeft Hampson z’n beste tijd als zanger niet een beetje gehad? Van het een komt het ander. Ik ging weer eens naar Copland luisteren, zijn balletmuziek en symfonische muziek, maar ook zijn kamermuziek en pianosonates. Het is werk dat je wel vaker hebt gehoord, maar soms luister je beter dan anders. Wat me wel meer gebeurt – ik heb een paar weken lang een intensief Coplandbad ondergaan. Op de een of andere manier hoor ik sterke verwantschap tussen zijn muziek en die van modernere Amerikaanse componisten, met name de zeggingskracht, de manier waarop je als luisteraar direct wordt aangesproken, terwijl het bepaald niet om oppervlakkige muziek gaat – het verwijt dat je in Europa altijd weer moet aanhoren. Versleten oordeel.

Is er iets in de Amerikaanse muziekopleiding dat die componisten hebben meegekregen? Juilliard? Ik had het niet paraat, maar wat bladeren in de muziekliteratuur en wat surfen op internet leert je snel dat er vermoedelijk inderdaad een verbinding bestaat die al het andere overstijgt: Nadia Boulanger! Aaron Copland was een van haar allereerste Amerikaanse studenten en bij de jongere lichting Amerikaanse componisten is de kans groot dat zij leermeesters hebben gehad die tot de boulangerie hebben behoord. John Adams studeerde op Harvard bij twee oud-leerlingen van Boulanger: Walter Piston en Luise Vosgerchian. Vosgerchian was, zoals Adams het uitdrukt, a firecracker of a personality met onuitputtelijke energie die harmonielessen gaf, net zo bezeten als Boulanger. Ze leerde hem net zolang luisteren tot hij een ‘scherp oor’ had, maar dat was niet genoeg, hij moest ook een ‘componistenoor’ ontwikkelen: aandacht voor ongebruikelijke geluiden, nieuwe muzikale combinaties. Hij kreeg altijd extra werk te doen … that left me deeply humbled about the complexities of harmonic practice.

Adams zucht en steunt als hij aan zijn opleiding terugdenkt, maar als ik het goed begrijp was zijn studententijd een zorgeloze picknick vergeleken bij die van zijn collega-componist Philip Glass; hij studeerde in het midden van de jaren zestig een paar jaar bij Boulanger in eigen persoon. Volle werkdagen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat en vaak tot diep in de nacht stampen om de bergen huiswerk op tijd af te krijgen. Iedere woensdagmiddag verzamelden zich al haar studenten van het moment, inclusief vroegere studenten die in Parijs woonden of oud-studenten die toevallig in de buurt waren. In de muziekstudio, inclusief vleugel en orgeltje, zaten soms wel zeventig studenten. Het ene jaar namen ze het eerste boek van Bach’s preluden en fuga’s door, het volgende jaar alle pianoconcerten van Mozart. Als de les begon riep Boulanger de namen af van degenen die moesten voorspelen. God help you if you weren’t prepared or, even worse, not present, herinnert Glass zich. Er was wel eens iemand die angstig uitriep: Maar Juffrouw Boulanger, ik ben geen pianist. Dat was geen geldig argument: Doet er niet toe, speel het toch maar. Violisten, harpisten of andere instrumentalisten waren niet zo goed of ze moesten eraan geloven – op die manier konden ze laten zien dat ze de stof hadden bestudeerd… you were supposed to overcome the difficulties. Op andere dagen werden er in een andere samenstelling koralen geoefend, uiteraard Bach. Op de vleugel lag een tenorpartij. Alle studenten kenden de muziek uiteraard, maar nu moesten ze op basis van die tenorpartij uit hun hoofd de bijpassende alt-, sopraan- en baspartij zingen, zuiver op het gehoor en na elkaar. In de groepjes zaten zowel de slechtste als de beste studenten, zegt Glass, maar de lessen waren zo meedogenloos dat niemand kon zeggen tot welke groep hij hoorde. Als je bij Juffrouw Boulanger les had gehad, zegt Glass, kwam je de wereld in met een gereedschapskist vol stralende instrumenten die je allemaal wist te gebruiken – you could build a table, you could build a chair, you could put in a window, you could do anything that was needed.

Grondige beheersing van het vak in ieder opzicht, veelzijdigheid, expressiviteit, betrokkenheid. Componisten als Copland, Glass en Adams (ik beperk me voor het gemak tot deze drie) zijn vernieuwers geweest, hebben van alles geschreven: opera’s, filmmuziek, balletmuziek, muziek voor het theater, voor de concertzaal, kamermuziek, concerten voor een reeks van instrumenten, volksmuziek. Ze hebben allen hun eigen weg gevonden en zijn stuk voor stuk gedreven, originele muzikanten. Mademoiselle Boulanger heeft ze nooit gezegd wat voor soort werk ze moesten maken, dat interesseerde haar matig – het ging haar om het vakmanschap. Muziek moest je in je vingers hebben. Ik vind het makkelijker om een partituur te lezen dan een krant, zei ze.

 

literatuur:

John Adams, Hallelujah Junction. Composing an American Life. New York (FarrarStrausGiroux) 2008
Philip Glass, Words Without Music. New York (W.W. Norton) 2015

illustraties:

portret Nadia Boulanger; bron: www.biography.com
Nadia Boulanger als dirigent; bron: www.idisclassica.com
John Adams; bron: www.itwaslost.org
Aaron Copland; bron: lcweb2.loc.gov