In de EO-documentaire De kanarie in de kolenmijn die afgelopen zondag werd uitgezonden op de Nederlandse tv, laat presentatrice Hanneke Groenteman de zakenman David Beesemer aan het woord. Ze spreken over het alledaagse antisemitisme onder jeugdige moslims. Hij zegt, mismoedig, niet meer te geloven in pogingen deze jongeren op te voeden door ze te confronteren met de geschiedenis: tochtjes naar voormalige concentratiekampen of bezoeken aan het Achterhuis van Anne Frank. Het helpt niet, zegt Beesemer, het IQ is te laag en de motivatie ontbreekt. De belangrijkste bijdrage van deze bevolkingscategorie aan Nederland, concludeert hij, is de inburgering van het woord kankerjood.

 

 

Strikt genomen klopt dat natuurlijk niet: ‘kankerjood’ is geen Berbers of Arabisch woord, maar een oer-Nederlandse uitdrukking; wie het gebruikt, heeft het hier ergens opgepikt. In bepaalde kringen zul je het misschien nooit horen, maar in andere gezelschappen is het een stopwoord. Dat kwam ook tot uiting in de documentaire. Groenteman legde er de nadruk op dat ze weinig merkt van antisemitisme in haar eigen omgeving, maar dat ze zich een ongeluk geschrokken is van de intensiteit ervan in de omgeving die ze door De kanarie in de kolenmijn blijkbaar heeft leren kennen. Ze laat mensen aan het woord die vastbesloten zijn Nederland om die reden te verlaten. Voorafgaand aan de documentaire werd ze uitvoerig geïnterviewd in NRC Handelsblad (3, 4 december 2016) onder de toepasselijke kop: In mijn wereld is het goed, daarbuiten is het giftig.

 

 

Het contrast tussen die werkelijkheden kreeg een extra dimensie doordat de presentatrice op een gegeven moment de tranen liet stromen. Het onderwerp werd onmiddellijk van een algemeen verschijnsel tot een persoonlijke kwestie getransformeerd en juist daardoor werd ik herinnerd aan een ander verslag over een Nederlandse tweedeling, de eerder dit jaar verschenen journalistieke rapportage Ik was een van hen. Drie jaar undercover onder moslims. Auteur: Maarten Zeegers. Hij wordt niet aangehaald door de documentairemakers—en waarom eigenlijk niet, omdat het joodse perspectief ontbreekt? Wat Beesemer losjes opmerkte over kankerjood, vindt in dit boek een overduidelijke bevestiging, de uitdrukking ligt veel jonge bewoners van de Haagse buurt Transvaal, waar Zeegers zijn gegevens verzamelde, in de mond bestorven. Het onthullendst klonk het uit de keel van een ‘Marokkaanse meid van een jaar of achttien zonder hoofddoek’. Er zijn rellen aan de gang. Zojuist is de Arubaan Mitch Henriquez, vermoedelijk door toedoen van de politie, tijdens een muziekfestival in het Zuiderpark bezweken. De buurt komt in opstand. Het zijn vuile racisten en teringlijers, schreeuwt de Marokkaanse in authentiek Haags, ze hebben mijn vader ook zo gepakt. Terwijl ze wisten dat hij ziek was. Vieze kankerjoden. Kennelijk geen spoor van besef hoe absurd dit klinkt.

Kankerjoden is de vaste aanduiding voor politiemensen, veelal nog aangevuld met kreten als Hamas! Hamas! Alle Joden aan het gas! Maar ook voorbijgangers kunnen de volle laag krijgen. Iemand had tegen de politie gezegd dat de relschoppers racistische taal uitsloegen. Een Marokkaan komt op hem af: Je moet niet zo bijdehand lopen doen, kankerlijer, dreigt hij, rot op naar je eigen land. Dit is mijn land, pruttelt de man. Nee, vieze kankerjood. Dit hier is ons land. Oprotten naar Scheveningen. Het zijn fraaie illustraties van een dieperliggend verschijnsel dat Zeegers op het spoor komt.

Toen zijn boek verscheen, waaide er nogal wat stof op. In de Volkskrant, (waar anders zou je zeggen) kreeg de schrijver er flink van langs. Zijn verslag, of liever: de methode van materiaalverzameling, werd gekarakteriseerd als onethisch, hij had ‘gewone Nederlandse staatsburgers’ om de tuin geleid en voorgelogen. Zich anders voorgedaan dan hij was. Ik heb overigens nergens gelezen dat het onwaar zou zijn wat Zeegers heeft gevonden en dat zou volgens mij een belangrijk criterium moeten zijn. De auteur heeft uitvoerig en overtuigend laten zien dat hij als de journalist of schrijver Maarten Zeegers geen poot aan de grond zou hebben gekregen in Transvaal. Pas als hij zich presenteert als moslim, geïnteresseerd in de leer en de gang van zaken bij de verschillende godshuizen in de buurt, krijgt hij toegang en informatie. En pas dan is hij in staat om te oordelen over het verschil tussen ‘wet en werkelijkheid’. Hij hoort een imam preken in de moskee en ziet later op de website dat de preek zwaar gecensureerd is. Hij bezoekt een ‘cultureel centrum’ dat openstaat voor de hele Haagse bevolking—een duidelijke voorwaarde voor gemeentelijke subsidies—en wordt met bijna grof geweld als vreemde pottenkijker naar buiten gewerkt. Ik vrees dat je met de ethiek van de Volkskrant alleen en uitsluitend de propagandaverhalen te horen krijgt, als je tenminste iets te horen krijgt, en verder overal wordt buitengehouden.

 

 

Zeegers had als onderzoeksinstrumenten verschillende ijzersterke troeven in handen: hij spreekt Arabisch, kent tientallen Koranverzen uit zijn hoofd en… heeft in Syrië gewoond en gestudeerd. Dat is aanzienlijk méér dan vele geestelijke leidsmannen in Transvaal kunnen zeggen, om maar te zwijgen van de jongens en meisjes die met zoveel branie de politie uitschelden voor vieze, vuile kankerjoden. In zijn boek vind je een staalkaart van islamitische richtingen en sekten, ieder groepje maakt aanspraak op het eigen gelijk—alle anderen lopen achter een dwaalleer aan. Voor Marokkanen deugen de Turken niet, maar de onderlinge verschillen bij de Turken zelf zijn zo mogelijk nog veel groter dan die tussen de verschillende regionale tradities. Als buitenstaander zie je door de bomen het bos niet meer, maar Zeegers stapt overal op af en legt geduldig uit wat hij aantreft. Het lijkt me geen gelukkig greep om Transvaal te bestempelen als een getto, wat de auteur doet, want de buurt is bepaald geen eiland zonder verbindingen met de buitenwereld. Een ander inzicht lijkt me vruchtbaarder en juist daarmee hadden de makers van De kanarie in de kolenmijn hun voordeel kunnen doen.

Zeegers laat zien dat de islam, gekoppeld aan jodenhaat, een uitstekend idioom is waarmee mensen met een allochtone achtergrond zich kunnen afzetten tegen de rest van de samenleving. De auteur spreekt van een verzetsideologie: de zuiverheid van de islam steekt schril af tegen de verdorvenheid van het Nederlandse seculiere bestel. Marokkaanse jochies die van hun gezond niet weten en nauwelijks beseffen waar de islam eigenlijk voor staat, kunnen zich trots beroepen op hun geloof om ontzag in te boezemen. Hun schoolprestaties en positie op de arbeidsmarkt stemmen misschien niet tot tevredenheid, maar dat doen hun grote terroristische voorbeelden wel degelijk: die dwingen respect af en daarin kunnen zij zich ook een beetje koesteren. Politiemensen, heel Nederland, in het verlengde vooral ook de Verenigde Staten, zijn vieze, vuile kankerjoden. De kanarie in de kolenmijn is inderdaad op sterven na dood.

 

illustraties:
David Beesemer; bron: jonet.nl
Hanneke Groenteman; bron: nu.nl en lindanieuws.nl
Maarten Zeegers; bron: youtube.com