Een week of wat geleden las ik een alarmerend stukje in de krant, geschreven door Caroline de Gruyter, correspondent van NRC Handelsblad, standplaats Wenen. Ze is diep verontrust over de radicale verrechtsing van Europa, zoals ze het noemt en ze laat een paar concrete voorbeelden de revue passeren. De meeste kennen we wel afzonderlijk, maar bij elkaar is het een monster. Het gaat over het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland en het thema is steeds: de groeiende kloof tussen stad en platteland. Alles dient de stad, heet haar stukje. De Brexit-onderneming slaagde volgens haar voornamelijk vanwege de voorstemmers uit de verwaarloosde gebieden in het noorden, we moeten dat stemgedrag zien als wraak: gericht tegen de kosmopolitische klasse die in de EU had willen blijven.

Op het krimpende platteland van Oostenrijk wordt in toenemende mate gestemd op FPÖ: bewoners van het platteland menen dat de wetgeving in hun land vooral de inwoners van stedelijke gemeenschappen ten goede komt. Vrouwen trekken weg uit de dorpen, er is geen werk meer. Het platteland krimpt. Uit de dorpjes in de Franse Auvergne verdwijnt de middenstand, ziekenhuizen worden gesloten, het Front National profiteert. In Duitsland zijn gebieden waar de vrijwillige brandweer geen nieuwe recruten meer krijgt, iedereen is weggetrokken, postkantoren zijn gesloten, de gezondheidszorg is een ramp. Europa wordt steeds meer beschouwd als een grootstedelijk project en De Gruyter concludeert dan ook dat het zinloos is als politici een muur zouden optrekken rond Europa om immigranten en vluchtelingen tegen te houden: ze doen er beter aan de kloof tussen stad en platteland te dichten.

Ach, ja, het klinkt misschien overtuigend, maar is de werkelijkheid niet ingewikkelder? Bevolkingsbewegingen leiden altijd tot winnaars en verliezers, in die zin is er niets nieuws onder de zon. De hele negentiende eeuw, de eeuw van de verstedelijking en industrialisering, werd gekenmerkt door het wegtrekken van massa’s mensen uit de landelijke gebieden op zoek naar werk in de stad. Dat ging gepaard met het totale verval van landelijke nijverheid (in Groot Brittannië zo treffend aangeduid als cottage industry), handel en ambachten. Je kunt het nog steeds zien in Franse provincies als Auvergne en Rouergue: resten van een dichte bebouwing op plekken die tegenwoordig door toeristen gezien worden als de ‘vrije natuur’. Als de beroepsbevolking wegtrekt, blijft er ook voor molenaars, smeden, timmerlieden, bakkers, slagers, schoenmakers, onderwijzers, artsen en notarissen geen emplooi meer over. Een proces van economische verarming en verschraling waarvoor een historicus ooit de term pastoralisatie bedacht: grote gebieden worden door de grootscheepse ontvolking tot platteland gemaakt.

Als je landelijke streken bezoekt, ben je soms geneigd te denken dat je door een eeuwenoud patroon van samenleven trekt, knusse boerderijtjes, schilderachtige sloten, romantische bospartijen, geiten en schapen in de wei, ommuurde veldjes, korenbloemen. ‘De tijd heeft hier stilgestaan’ is het cliché dat onvermijdelijk over de tong glijdt. En het lijkt erop dat de mensen die Caroline de Gruyter aan het woord laat, ongeveer dezelfde opvattingen hebben over de dorpjes waar ze wonen. Maar daarom hebben ze nog niet per definitie gelijk. Ik denk onwillekeurig aan de beroemde antropologische studie van Conrad Arensberg en Solon Kimball uit de jaren dertig: Family and Community in Ireland. In West-Ierland, waar hun onderzoek gesitueerd was, vond je dorpjes waar de boeren nog leefden en werkten volgens traditionele methoden, een zelfvoorzienende economie met vaste plichten en rechten, met regionale gewoonten en gebruiken die sinds mensenheugenis gehandhaafd zijn. Het familiebezit wordt zo lang mogelijk intact gehouden en van generatie op generatie, van vader op de oudste zoon overgedragen. Het evenwicht blijft bewaard door emigratie, want het boerenbedrijfje kan niet al teveel monden voeden.

 

Een halve eeuw later wordt in hetzelfde gebied onderzoek verricht door Hugh Brody: Inishkillane. De onderzoeker maakt overtuigend duidelijk dat zijn voorgangers weinig gevoel voor geschiedenis hadden—het ‘eeuwenoude patroon’ van de samenleving, dat wel tot de Romeinse tijden terug zou gaan, bestond in feite nog maar een paar generaties. Het Ierse platteland dat Arensberg en Kimball aantroffen, kreeg pas vorm na het grote, dramatische breekpunt: de aardappelcrisis en hongersnood van 1845-1849. De nieuwere soorten emigratie zijn niet langer bedoeld om de bevolkingsdruk op peil te houden, maar hebben een cumulatief karakter. Jongeren zijn uitstekend op de hoogte van de levensstandaard in Londen of Chicago, ze hebben daar familieleden wonen en wat thuis achterblijft, vormt niet de harmonieuze, evenwichtige samenleving waarover toeristen in zo’n jubelstemming raken. De achterblijvers worden gekenmerkt door demoralisering, de belangrijkste inkomstenbronnen zijn geldzendingen van geëmigreerde familieleden en allerlei bijstandsregelingen. Wat je in het westen van Ierland ziet, is kenmerkend voor perifere gebieden in de hele wereld: jongeren vertrekken, ouderen en een paar kinderen blijven achter, de grond komt braak te liggen en verandert in ‘jungle’. Het  verschijnsel is allerminst tot Europa beperkt, zoals je bij lezing van Caroline de Gruyter zou kunnen vermoeden, en het is ook niet kenmerkend voor het huidige tijdsgewricht. Samenlevingen in ontbinding zijn van alle tijden.

 

Maar de krimp die De Gruyter signaleert, is allerminst beperkt tot het platteland en in die zin is de tegenstelling tussen stad en platteland aanzienlijk ingewikkelder dan op het eerste gezicht wellicht zou lijken. Ik heb me een tijd beziggehouden met de Schotse stad Glasgow, om een voorbeeld te noemen. Sinds het midden van de negentiende eeuw de ‘tweede stad’ van het Britse imperium; met ruim een miljoen inwoners tot omstreeks 1950 een van de grootste steden van Europa. Maar in een paar decennia tijd is de stad radicaal van karakter veranderd: de machtige industrie: scheepsbouw, machines, locomotieven, verdween in de jaren 1970, 1980 als sneeuw voor de zon. Er kwam een dienstensector voor in de plaats met overwegend parttime baantjes voor vrouwen. ‘Glasgow is één groot call-centre’, kun je overal horen.  Van de werklozen is het overgrote deel man, de bevolking is inmiddels gedaald tot omstreeks een half miljoen. Naast Glasgow kun je nog tal van andere steden noemen die in hetzelfde ‘schuitje’ zitten, denk maar aan de Amerikaanse roest gordel met steden als Detroit, Baltimore, Pittsburgh.

Krimp wordt veroorzaakt door allerlei factoren: oorlogen, natuurrampen, epidemieën, vervuiling, waterschaarste, overconsumptie van energie, migratie, suburbanisatie, demografische ontwikkelingen, economische conjunctuurschommelingen. Het ligt voor de hand dat ook de gevolgen, inclusief de politieke consequenties, divers en uiteenlopend zijn. Je moet vrezen dat als je alle ellende alleen maar toeschrijft aan de tegenstelling tussen stad en platteland, je meer verdoezelt dan verheldert.

 

illustraties
plattelandsbeelden uit de Alblasserwaard; foto’s van Lodewijk Brunt, copyright