Dat ik dezer dagen aan Korea denk, heeft niets met de Olympische Winterspelen in Pyeongchang te maken. Ik ben niet van de Spelen en al helemaal niet van het schaatsen, skiën, schansspringen of hoe het allemaal mag heten. Ondanks de hysterische verslaggeving, waar ik bij mijn buurvrouw iets van opving, dodelijk saai om naar te kijken. Nee, ik kwam in de Koreaanse oorlog terecht door het herlezen van The Hunters, het debuut van de Amerikaanse schrijver James Salter. Dat speelt zich daar af, rond de beruchte 38ste breedtegraad en bij de Yalu-rivier, bij de grens tussen Noord-Korea en China. De gevechtspiloten van de Amerikaanse luchtmacht vliegen dagelijks met hun F-86 jagers in de richting van de rivier om daar de MIG-15s van de vijand op te sporen en zo mogelijk neer te schieten. Salter was zélf zo’n piloot en heeft actief meegevochten. Omdat ik Nachtvlucht van de Franse schrijverpiloot Antoine de Saint-Exupéry moest recenseren, nam ik ook Salter weer ter hand. En Tom Wolfe natuurlijk: The Right Stuff, over testpiloten. Ik schreef er een dag of wat geleden over op deze plaats.

Wie weet eigenlijk nog waar die oorlog over ging? Het Koreaanse keizerrijk was rond 1900 bezet door Japan, dat het land in een ijzeren greep hield. Maar na de Tweede Wereldoorlog werd Japan ook Korea uitgegooid. Het noorden werd bezet door de Sovjet Unie, het zuiden door de Verenigde Staten—dat was in de oorlog zo afgesproken door de geallieerden. De bedoeling was dat het land weer verenigd zou worden. Maar in het noorden namen de communisten de macht in handen, ze hadden genoeg van de bezettingslegers. Ze namen het initiatief tot de vereniging van de beide helften zélf en organiseerden een militaire invasie. De Amerikanen hadden in eerste instantie nauwelijks zin om de Zuid-Koreanen te hulp te komen, ‘waarom moeten wij dat weer opknappen?’. In 1950 brak de oorlog op grote schaal uit toen de Noord-Koreanen vrijwel heel Zuid-Korea onder de voet hadden gelopen, met steun van communistisch en nationalistisch China en op de achtergrond ook de Sovjet Unie—de ‘koude oorlog’ manifesteerde zich plotseling als een ‘hete oorlog’. Aan Zuid-Koreaanse kant werden ook VN-troepen ingezet, afkomstig uit landen als België, Turkije en zelfs Nederland. Er werd drie jaar lang hard gevochten, maar er zat na verloop van tijd geen schot meer in de situatie. Er werd een wapenstilstand gesloten, officieel gaat de oorlog tot op de dag van vandaag door. En onlangs hebben de autoriteiten in het noorden de wapenstilstand eenzijdig opgezegd. De Olympische Winterspelen hebben schijnbaar voor een zekere dooi gezorgd, no pun intended.

The Hunters moest gaan over idealisme, zoals Salter jaren later schreef in zijn opstel Why I Write (1999), écht en vals. En inderdaad, daar is wel iets van terug te vinden in zijn boek, al zou ik het persoonlijk waarschijnlijk anders noemen. Fascinerend aan het boek is de scherpe (informele) hiërarchie die de gemeenschap van ‘gelijken’ splijt. Je hebt de officiële gezagsverhoudingen van commandanten en ondergeschikten, zoals je dat nu eenmaal in het leger vindt, maar daarachter gaat het om de vraag wie de meeste vijandelijke toestellen naar beneden haalt. Daar is roem en eer mee te behalen en dat is het enige waar piloten ontzag voor hebben. Kolonel Imil was de ‘gouden jongen’ van de basis, een van de eerste straaljagerpiloten die waanzinnige risico’s nam. Hij had er een indrukwekkende reputatie mee opgebouwd. Bij de briefing sprak hij de nieuwkomers toe: The only thing a fighter pilot needs is confidence, and I’ve got enough for all of us. Iedereen kende de verhalen, ook al kende je de man zelf niet. Hij zou een keer op een nacht naar bed zijn geweest met vier verschillende vrouwen. Een bruut, het soort man dat twee enorme biefstukken at bij de maaltijd, a man who found the normal world undersized in the shadow of his imposing body.

 


In zo’n ‘schip’ heeft Salter de Koreaanse oorlog meegemaakt

Een opmerkelijk aspect van Salters boek is de oorlog, daar zitten we middenin… maar toch lijkt de strijd zich voornamelijk in de verte af te spelen, iets abstracts bijna.

Om 1300 hingen we rond in de kleedkamers. Om 1325 zaten we te wachten in onze schepen, de minuten kropen voorbij. Eindelijk hoorden we het schrille gehuil van de eerste motoren, we gingen echt de lucht in. Om 1400 hadden we de herinnering aan de aarde ver achter ons gelaten en waren we op weg naar de Yalu, tussen grote wolkenflarden. We vlogen in doodse stilte. We konden nauwelijks zien waar we waren, de brandstofmeter was de enige gids voor de afstand die we hadden afgelegd. Om 1450 waren we bijna thuis. Toen we geland waren, hadden we niets anders dan de leegte van een verknoeide missie. Bij de debriefing werd inderdaad duidelijk dat niemand contact had gehad met een MIG. Gelukkig, we hadden allemaal gefaald, het gevoel van kameraadschap keerde terug.

Op naar de kantine: iedere avond drankgelagen en af en toe een paar dagen naar Tokyo voor bordeelbezoek.

Er is nooit ‘man-tot-man’ contact met de vijand. Je ziet een MIG in de verte en probeert er zo dicht mogelijk in de buurt te komen, maar dat is toch altijd nog vele honderden meters. Of je raak schiet, weet je vaak niet en of het getroffen vliegtuig neerstort, valt meestal evenmin vast te stellen. Niemand heeft een toestel officieel neergehaald zonder de bevestiging van derden. Het lijkt op de gang van zaken bij vogelaars: je kunt wel zeggen dat je een Siberische roodstaart hebt gezien, maar de waarneming is pas geldig als anderen hem ook hebben gezien. Een ideale situatie om te sjoemelen en dat is ook precies wat er in The Hunters gebeurt. Het boek ontleent er zijn dramatische ondertoon aan, Salter is in staat dit mooi en spannend op te schrijven.

 


Het vijandelijke toestel, de MIG-15

Maar de ‘echte oorlog’ blijft buiten beeld en ik moet bekennen dat dit nogal ambivalente gevoelens bij me oproept. De Amerikaanse luchtmacht heeft vreselijk huisgehouden in Korea—de eerste oorlog waarbij op grote schaal napalmbombardementen zijn toegepast, om nog maar te zwijgen van biologische wapens. De Chinezen hebben daar in een vroeg stadium ruchtbaarheid aan gegeven, krijgsgevangen Amerikaanse piloten gaven het openlijk toe, maar door de Amerikaanse autoriteiten werd dat afgedaan als vileine communistische oorlogspropaganda. Veel gevechtspiloten hebben niet alleen in de verte de zilverkleurige MIGs gezien, maar hebben ook van dichtbij dorpen en steden platgegooid (waarmee ik niet wil beweren dat Salter dit gedaan zou hebben). Dat kun je tot in de gruwelijkste details lezen in een andere roman: War Trash van Ha Jin. Hier zijn de rollen van Salter omgedraaid: Ha Jin beschrijft de ervaringen van Chinese en Noord-Koreaanse soldaten—de Amerikanen zijn de vijand. Bij de Yalu ziet de hoofdpersoon dat de meeste dorpen op de oostelijke oever van de rivier in puin liggen.

The land looked empty, with at least four-fifths of the houses leveled to the ground (…) Here and there the roads had been cratered and teams of Chinese laborers were busy filling the holes, carrying earth and stones with wicker baskets (…) During the day it wasn’t safe for us to march, because the American planes would come in droves to attack us (…) Every infantryman carried at least sixty pounds; without enough sleep and rest, the troups were footsore and exhausted.

De Amerikaanse bombardementen duurden iedere keer hooguit tien minuten maar maakten steeds vele tientallen dodelijke slachtoffers en nog veel meer gewonden. Blinde paniek, ook bij de paarden en ezels die met de troepen werden meegevoerd.

Geen woord over déze oorlog bij Salter, bizar. Het was blijkbaar mogelijk om in Korea twee verschillende oorlogen mee te maken: één in de herensociëteit, de ander in modder en bloed.

 

illustraties
James Salter als piloot; bron: theparisreview.org
MIG-15 en F-86; bron: en.wikipedia.org