Dat zoveel schrijvers en journalisten over het koffiehuis, café of de kroeg hebben geschreven, hoeft je niet te verwonderen: ze hebben er veel tijd doorgebracht. Een home away from home, zoals het in mijn vak wordt genoemd. Toch lopen de beschrijvingen vér uiteen, de ene auteur is nu eenmaal een betere waarnemer dan de andere en bovendien letten ze op andere dingen. Het koffiehuis als vervangend ‘thuis’ komt misschien het pregnantst tot uiting in de herinneringen van Stefan Zweig aan zijn jonge jaren in Wenen. Op een (goedkope) kop koffie kon je urenlang ongestoord blijven zitten—om te dagdromen, te kaarten, schrijven, discussiëren. Je kon er ook je post ontvangen en niet te vergeten: lezen! Zweig schrijft dat je in de betere Weense koffiehuizen alle Weense kranten kon vinden, over het algemeen zo ongeveer alle Duitstalige bladen. Daarnaast kranten uit Engeland, Italië, Frankrijk en de Verenigde Staten, om nog maar te zwijgen van de belangrijkste culturele en literaire tijdschriften. De beste plek voor onze informatie over alles wat nieuw was, bleef het koffiehuis, noteerde Zweig.

 


Alle Duitstalige bladen, om maar te zwijgen van de rest

Ook toneelschrijver Thomas Bernhard was een notoir cafébezoeker, hij was stamgast in Café Bräunerhof, ooit Café Sans Souci geheten. Zijn frequente cafébezoek riep tegenstrijdige gevoelens bij hem op: hij kon het niet laten en daarom had hij er tegelijkertijd de pest aan. Je ontmoet er gelijkgestemden, mensen zoals jezelf: intellectuelen, schrijvers, journalisten. Ich ertrage mich selbst nicht, geschweige denn eine ganze Horde von grübelnden und schreibenden Meinesgleichen. Bernhard beschouwde de aantrekkingskracht van het koffiehuis als een gevaarlijke, chronische ziekte, de Kaffeehausaufsuchkrankheit.

Het café als thuisbasis is een typisch Weens verschijnsel met een eerbiedwaardige traditie, maar komt ook elders in Midden-Europa voor. Het zal te maken hebben met culturele tradities, maar natuurlijk ook met (krappe) woonruimte, opvattingen over privé en openbaar. Ik herinner me de portretjes van Berlijnse café’s die Joseph Roth schreef in de jaren twintig. Albert’s Keller bij voorbeeld, genoemd naar de Roemeense eigenaar. De stamgasten laten hun post naar dit adres—in de Weinmeister Strasse—sturen. Je kunt er de hele middag zitten slapen aan een tafeltje, zonder iets te bestellen. Café Schwannecke is het uitgelezen adres voor kunstenaars en schrijvers. Niemand van de klanten hoeft vroeg naar huis, schrijft Roth, en wie eindelijk vertrekt, zweert dat hij voorlopig niet zal terugkeren. Maar ook hier slaat de beruchte ziekte van Bernhard toe: je kunt het je niet permitteren om weg te blijven, want er wordt over je geroddeld en dat zou wel eens ten koste van je reputatie kunnen gaan. In Schwannecke is een permanente stoelendans aan de gang: iedereen wil weten wat er overal gezegd wordt. Het café is een slagveld waar ‘inktvetes’ en ‘inktvendetta’s’ ontstaan en worden uitgevochten.

 


Schwannecke Café: inktvetes en inktvendetta’s

Sommige café’s hebben een minder artistieke cliëntèle, zoals Café Dallas in de Neue Schönhauser Strasse. Roth ziet inbreker Kirsch met zijn kameraden Tegeler Willy en Apache Fritz zitten. Er staat een politieman aan hun tafeltje, onduidelijk wat hij daar doet. Bespreken ze een spel kaarten of beramen ze een geweldige kraak? Je moet onwillekeurig denken aan de kroegen die in diezelfde tijd worden bezocht door Franz Biberkopf, de (anti-)held van Alfred Döblin’s Berlin Alexanderplatz. Verzamelplaatsen van gangsters, maar ook van politieke heethoofden met een fascistische boodschap of juist met communistische sympathieën. Franz komt net uit de gevangenis en heeft dringend geld nodig. Hij verkoopt nationalistische kranten op straat, de partijband om zijn arm. Franz heeft niets tegen Joden, maar is wel voor orde en gezag. Als hij de kroeg binnenkomt waar zijn vrienden zitten, steekt hij voor alle zekerheid de band in zijn jaszak.

Wil je als onderzoeker weten wat er gaande is in de samenleving dan kun je je niet beperken tot naslagwerken of archieven. Je zult de straat op moeten en je ontkomt er niet aan veel romans te lezen. Een wijze les voor historici—ik ontleen de boodschap aan Richard Cobb—maar ook voor antropologen. Een van Cobb’s favorieten is Raymond Queneau, de kampioen van de kleine ambachtsman, winkelier, restaurateur, kroegbaas, caféhouder, wijnkoper. Een geruststellende wereld, zegt Cobb, waar je iedere ochtend in Café de la Gare dezelfde verzameling klanten vindt voor een pousse-café, iets later voor l’heure de l’apératif en ’s avonds voor het restaurant des habitués waar iedereen zijn eigen servetring heeft liggen. Ook bij Georges Simenon lees je zulke observaties: om kwart voor acht de klantjes voor een pousse-café, even later de schilders en glazeniers uit de bouw voor een petit blanc sec, waar omstreeks elf uur ook de vertegenwoordigers en handelsreizigers voor komen. ’s Middags laat de pernod en ricard, een enkele vermouth, en ’s avonds de kaartspelers en prostituées met hun biertjes en likeurtjes.

Misschien komt het cafébezoek overdag vaker terug bij Europese auteurs, in de Amerikaanse literatuur lijkt de nadruk vooral te liggen op de avond en de nacht, meer op drankgebruik en dronkenschap. Wie zal het zeggen, het onderwerp is nauwelijks onderzocht, voor zover ik weet. Joseph Mitchell scharrelde jarenlang rond in de Bowery waar hij inspiratie opdeed voor zijn onovertroffen reportages in The New Yorker. Zijn portret van McSorel’s is klassiek, maar ik ben misschien nog meer gehecht aan zijn beschrijving van Dick’s Bar and Grill. Wat je daar in een kwartiertje kunt meemaken, zegt Mitchell, is verbazingwekkender dan hele voorstellingen van het Barnum & Bailey’s Circus of de Ringling Brothers. Mitchell heeft een scherp oog voor het vettige interieur, maar vooral voor ‘het leven’ dat zich in de kroeg afspeelt, een onderwerp waarin ik sinds mijn vroegste jeugd in ben geïnteresseerd. Eigenaar Dick is een Italiaan met een droevige oogopslag die al zijn klanten haat en van tijd tot tijd zijn vuist balt tegen het smerige plafond onder de uitroep: Ik word gekruisigd. Iedereen noemt hem The House. Als hij de zaak binnenkomt en zijn voorschoot ombindt, kijkt hij vol misprijzen rond en roept hoofdschuddend: Ze hebben weer eens vergeten de deur van het gekkenhuis op slot te doen. Mitchell’s tekeningen van de gasten zijn niet minder scherp.

 


Het Utrechtse Café Primus met achterin de zaak Gerrit Jansen (met bril)

Hoe fraai koffiehuizen, kroegen en café’s ook worden beschreven, het zijn altijd momentopnamen. Om een gelegenheid als Dick’s Bar and Grill, Café de la Gare of Café Dallas beter te leren kennen, zou je er systematischer en analytischer moeten kunnen observeren. In de antropologie zijn er in de loop der jaren wel pogingen gedaan in die richting. Vaak met méér dan een onderzoeker: wil je het ‘veldwerk’ zo ongestoord mogelijk kunnen doen dan is teamwork meestal aangewezen. Brady’s Bar werd onderzocht door Brenda Mann, die under cover werkte als cocktail waitress, en James Spradley die de rol van klant op zich nam. Iets dergelijks deed ook William Foote Whyte bij zijn onderzoek naar verschillende restaurants: de gegevens werden uit de eerste hand verzameld door onderzoeksters die er in de bediening werkten.

De gegevens die op die manier verkregen worden, vormen dan weer de ingrediënten van grote overzichtsstudies. Ik denk aan De eeuwige kroeg door mijn oud-collega Gerrit Jansen. Ruim veertig jaar geleden, maar voor zover ik het kan zien nog steeds onovertroffen. In de index de namen van bijna 550 horecagelegenheden, verspreid over de hele wereld. De ‘hoofdstukken uit de geschiedenis van het openbare lokaal’, zoals de ondertitel luidt, zijn met veel liefde en toewijding geschreven. Jansen was een kroegtijger, dat is duidelijk. Het mooie is dat zijn algemene opmerkingen over het karakter van het koffiehuis steeds weer inspiratie bieden om het koffiehuis te bezoeken. De ziekte van Bernhard woedt onverminderd voort.

 

NB een eerdere versie van dit stuk schreef ik voor de zogenaamde Schiller Gazet, het huisorgaan van Café Schiller dat na geruime tijd van inactiviteit binnenkort weer verschijnt.

illustraties
portret van Joseph Mitchell; bron: Joseph Mitchell, My Ears Are Ben. New York (Vintage Books) 2008
Café Schwannecke;  bron: Joseph Roth, What I Saw. Reports from Berlin, 1920-1933. London (Granta Books) 2004
Café Primus en krantenlezers in Weens koffiehuis; bron: G.H. Jansen, De eeuwige kroeg. Amsterdam, Meppel (Boom) 1976