Wetenschap en kunst kruipen dichter naar elkaar toe, lijkt het. De Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen heeft deze neiging vorig jaar geformaliseerd door een Academie van Kunsten te stichten. In de 19e eeuw zou dat geen opzien hebben gebaard, in omringende landen evenmin – kunst en wetenschap zijn aspecten van eenzelfde complex: nieuwsgierigheid, creativiteit, originaliteit.

In ieder geval zou het zo moeten zijn, maar in sommige wetenschappelijke tradities is dit besef aanzienlijk sterker aanwezig dan in andere. Zelf ben ik opgeleid aan de Universiteit van Amsterdam, geheel en al in de geest van de zogenaamde 7e Faculteit, waar de grenzen tussen wetenschap, journalistiek en de kunsten poreus en vloeiend waren.

Ik kreeg colleges over de mondiale migratieproblematiek aan de hand van Ahasverus en maatschappelijke tegenstellingen werden behandeld in het licht van Tijl Uilenspiegel – literaire thema’s bij uitstek. Een docent introduceerde muziektermen om zijn studenten bewust te maken van mogelijke ‘oneffenheden’ in ogenschijnlijk gladde sociale verhoudingen. Zoals het contrapunt, het samengaan van twee of meer melodieën in een muziekstuk. Iedere sociaal onderzoeker zou alert moeten zijn op de tegenmelodie, de onderstroom die laat zien dat de sociale werkelijkheid minder harmonieus is dan sommigen ons graag wijsmaken. Volksverhalen, romans, gedichten, maar ook schilderijen of muziektradities vormen uitstekende aanknopingspunten voor de studie van conflicten en tegenstellingen.

Van diverse docenten kende ik de literaire voorkeuren – deze kwamen in de colleges geregeld ter sprake omdat het ging om auteurs die als geen ander in staat waren om maatschappelijke verhoudingen tegen het licht te houden. Zo ben ik me bewust geworden van de sociologische verbeeldingskracht die ten grondslag ligt aan het werk van Willem Elsschot, maar ook van de grote betekenis van schrijvers als William Faulkner, Carson McCullers of Harper Lee voor het begrip van de Amerikaanse Deep South: de relaties tussen blank en zwart, de precaire positie van de rednecks en de complexe menging van klasse en ras.

Een docent was bezig met het leven en werk van Edgar Allen Poe, een ander met de Indiase schrijver Premchand. En als het niet om de inhoud ging, dan toch in ieder geval om de vorm – schrijvers van romans en verhalen waren ‘rolmodellen’, want zij konden je leren hoe je je onderzoeksresultaten voor een breed publiek toegankelijk moest maken. Aan het Instituut voor Sociaal Onderzoek van de Universiteit van Chicago – in de jaren 1920 en 1930 de bakermat van de moderne sociologie en na de Tweede Wereldoorlog ook een inspiratiebron voor sommige Nederlandse sociologen en antropologen – kwamen romanschrijvers vertellen over hun werk. Andersom werden romanschrijvers juist geïnspireerd door het werk van de academische onderzoekers. De romantrilogie Studs Lonigan van James T. Farrell, waarin een sociologieprofessor van de plaatselijke universiteit figureert, is niet denkbaar zonder de opvattingen over ‘etnische successie’ die aan de Universiteit werden ontwikkeld.

Ook een schrijver als Richard Wright, wiens Native Son zich tijdens de rassenrellen van 1918/’19 afspeelt, is door wetenschappelijke inzichten over de ontwikkeling van de verhoudingen in de grote stad gevormd. De voorbeelden zijn verre van uitputtend.

 

Toneel en film geven aanwijzingen voor hoe je met drama moet omgaan. Ik volgde colleges filmkunde waar nauwgezet de structuur en opbouw van bekende films werd geanalyseerd. Concreet herinner ik me de beeldvoorbeeld behandeling van Henri-Georges Clouzot’s Le salaire de la peur, uit 1953: hoe werkt de regisseur naar de climax toe, met hoeveel verschillende camerastandpunten en welke muzikale effecten? Leren kijken en leren weergeven wat je hebt gezien – daar draaide het om, al werd het waarschijnlijk niet zo genoemd; dat zal ‘observeren en redeneren’ geweest zijn – zoals trouwens een verplicht leerboek over onderzoeksmethodologie in werkelijkheid heette.

Als ik denk aan wat ik moest lezen en in mijn hoofd een lijst van boektitels maak, lijkt het verzameling bellettrie (het is maar een illustratie, de inleidende handboeken noem ik niet, voor zover ik ze nog zou kennen):

A Black Byzantium; Argonauts of the Western Pacific; Good Company; Never in Anger; Peddlers and Princes; The Chrysantium and the Sword; Tally’s Corner; Saints and Fireworks; Street Corner Society; Nomads of the Long Bow; The Gold Coast and the Slum; Coral Gardens and their Magic; The Trumpet Shall Sound; Sex and Temperament; Encounters; Stratagems and Spoils; Two Against One

Stuk voor stuk ‘klassieke’ studies, voortreffelijk geschreven, waarvan sommige met een maatschappelijke betekenis die het vak ver te buiten ging. The Chrysantium and the Sword bij voorbeeld, van de Amerikaanse antropologe Ruth Benedict. Een indringende studie van het Japanse ‘volkskarakter’, dat in de Tweede Wereldoorlog door de Amerikaanse strijdkrachten werd gebruikt om de Japanse vijand beter te begrijpen… en beter te kunnen verslaan. Overigens laat het lijstje ook zien dat de naoorlogse studie sterk in het teken stond van Angelsaksische (empirische) tradities – zoals voor de oorlog ‘het’ buitenland voornamelijk Duitsland was, is dat na de oorlog vrijwel exclusief Amerika geworden, met sterke invloeden uit Groot-Brittannië – zeker in de antropologie.

In romanliteratuur spelen gevoelens een belangrijke rol, een dimensie die in sociaalwetenschappelijk onderzoek nauwelijks aan bod komt omdat een geschikt onderzoeksinstrumentarium nu eenmaal ontbreekt. Zelf heb ik bij de studie van de negentiende eeuwse verstedelijking en industrialisering misschien wel het meeste geleerd uit romans. Vanity Fair met als hoofdpersoon de onnavolgbare Becky Sharp die na haar schooltijd maar één ding wil: naar Londen! She’s longing for fame and riches, schrijft Thackeray – de ‘eeuwige drijfveer’ om naar de stad te trekken. In Theodore Dreiser’s Sister Carrie zie je hetzelfde verschijnsel – het meisje dat naar de stad trekt (Chicago) om een nieuw leven op te bouwen en het oude, bekrompen bestaan achter zich te laten. Ik heb in het hedendaagse Mumbai talrijke verhalen gehoord die zó uit die boeken geplukt hadden kunnen zijn. Romans, dagboeken, brieven: het materiaal bij uitstek voor dromen – over geluk, rijkdom, opwinding, een beter bestaan. Voer voor antropologen en sociologen.

In de ogen van ‘harde’ wetenschapsbeoefenaren is een vak als de antropologie soft, nauwelijks ‘wetenschappelijk’ te noemen – juist vanwege die nauwe verwantschap met kunst en literatuur. Dat brengt vertegenwoordigers van het vak er al vele jaren toe om hun discipline aanzien te verschaffen door de toepassing van een meer natuurwetenschappelijke manier van denken. Er moet met cijfers worden gewerkt, modellen, statistiek en het liefst met computerprogramma’s. Ik vrees dat daarover in de natuurwetenschappelijke sector enigszins schamper gelachen wordt, als het er al doordringt. Ik denk dat respect beter kan worden afgedwongen door te blijven doen waar de antropologie en sociologie goed in zijn: doordringen achter de schone schijn van het sociale leven en laten zien hoe complex en gelaagd dat is en daarover zo levensecht mogelijk, met behulp van literaire middelen, rapporteren. Kunst en wetenschap zijn ideale bedfellows.

 

 

portret James T. Farrell; bron: www.rogerebert.com
portret Richard Wright; bron: www.youthvoices.net