De afgelopen tijd hebben we veel kunnen horen en lezen over ‘roofkunst’. Op zichzelf is het niet altijd duidelijk wat daarmee wordt bedoeld. Soms slaat het op kunstvoorwerpen van de staat die door leden of satellieten van de Nederlandse koninklijke familie worden verpatst; het is genoegzaam bekend dat dit volk geen zier geeft om kunst, deste meer om poen. In een andere betekenis gaat het om kunst die in de Tweede Wereldoorlog door nazi’s gestolen is van Joodse families en kunsthandelaren; de kunstwerken zijn na de oorlog voor een deel teruggebracht naar het land van herkomst om vervolgens te worden ingepikt door musea en andere instellingen. Het kost vaak grote moeite, veel narigheid en verdriet—om maar te zwijgen van handenvol geld voor advocaten en onderzoekers—de objecten weer bij de rechtmatige eigenaars of hun nakomelingen terug te krijgen. Overigens zijn de meningen over het onderwerp verdeeld. Ik herinner me een betoog van de voorzitter van de Nederlandse Restitutiecommissie, Alfred Hammerstein, die erop wijst dat niet ieder ‘onvrijwillig bezitsverlies’ hetzelfde is; dat laat zich inderdaad raden. In sommige gevallen is een kunstvoorwerp letterlijk geroofd of met geweld afgenomen en in andere gevallen is sprake geweest van een transactie, die zonder de omstandigheden van de oorlog, een gewone verkoop zou zijn geweest, merkt Hammerstein op (NRC Handelsblad, 11 december 2018). Tja, die ‘omstandigheden van de oorlog’, dat is begging the question, om maar eens een oer-Nederlandse uitdrukking te gebruiken.

Nog ingewikkelder ligt dat trouwens bij de derde vorm van roofkunst die de laatste tijd in het nieuws is: kunst die tijdens imperialistische strooptochten is meegevoerd door vertegenwoordigers van het koloniale rijk. Een maand of wat geleden haalde de Franse president het nieuws door zijn voornemen enkele kunstwerken terug te brengen naar Benin, waar ze eind negentiende eeuw door de Franse kolonel Alfred Amédée Dodds waren geroofd toen hij het koninkrijk Dahomey met grof geweld onder de voet liep. Naar schatting liggen in Frankrijk zo’n honderdduizend kunstwerken uit Afrika verspreid over een reeks van musea en andere instellingen. De bedoeling is dat een restitutiecommissie ieder verzoek om teruggave afzonderlijk gaat bekijken. Dat kan dus nog wel een tijdje duren en het is de vraag of Macron iets méér te bieden heeft dan een loos gebaar. Iets dergelijks gebeurt in België waar onlangs het Koninklijk Koloniaal Museum te Tervuren werd omgedoopt tot het AfricaMuseum. Het ligt volgestouwd met kunstwerken uit de voormalige Congolese Vrijstaat die door koning Leopold II en zijn opvolgers mee naar België genomen zijn. De Belgische minister Alexander De Croo verklaarde: teruggave van koloniaal cultureel erfgoed aan Afrikaanse overheden is niet langer taboe voor België. In Afrika worden al nieuwe musea gebouwd om de stroom van terugkerende kunst op te bergen. Dit jaar zal, volgens verwachting, een topconferentie plaatsvinden in Parijs waar vertegenwoordigers van de roofstaten en hun slachtoffers een nieuwe relatie aangaan en gezamenlijk een restitutiebeleid vormgeven. Ik moet het nog zien….

Bij berichten over de koloniale roofkunst valt me op dat de nadruk sterk ligt op kunst die afkomstig is uit Afrika, alsof de imperialistische kunstrovers niet elders net zo ijverig aan de slag zijn geweest. Ik herinner me uit mijn studietijd al colleges waarbij medewerkers van etnologische musea uit de doeken deden dat zij het beheer voerden over gestolen waar, niet alleen uit Afrika maar ook uit Latijns-Amerika, Alaska (Eskimokunst), Oceanië en Azië. Decennia geleden las ik het adembenemende verslag van de grootschalige kunstrooftochten langs de Zijderoute die plaatsvonden vanaf de tweede helft negentiende eeuw tot diep in de twintigste eeuw: Peter Hopkirk’s Foreign Devils on the Silk Road. Daar zijn de namen aan verbonden van Duitsers, Britten, Russen, Fransen, Scandinaviërs, Japanners—Marc Aurel Stein, Paul Pelliot, Albert Von Le Coq, Sven Hedin, Albert Grünwedel, Kozui Otani. Soms gerespecteerde beoefenaren  van de wetenschap, in (semi-) overheidsdienst, soms vrijbuiters gefinancierd door het bedrijfsleven (Nobel, Krupp) of gekroonde hoofden (Kaiser Wilhelm).

 


Vreemde duivels langs de weg, links Alfred Von le Coq

Over de Zijderoute werd veel meer vervoerd dan zijde alléén. Karavanen richting China vervoerden goud en andere dure metalen, wol, linnen, ivoor, amber, asbest, edelstenen, glas. Vanuit China kwamen bont, keramiek, ijzer, lakverf, bronzen voorwerpen, wapens, spiegels. De meeste handelaren legden maar een deel van de route af en verkochten hun koopwaar onderweg. Zelden of nooit reisde een karavaan de hele weg heen en terug, bijna twaalfduizend kilometer. De route liep langs oasen en steden, ieder op een paar dagen afstand van elkaar, alle afhankelijk van de gletsjers die van de bergen het dal instroomden en waarvan het water soms door ingenieuze waterleidingen naar de plaats van bestemming werd gevoerd. Naarmate de handel groeide, namen ook de oasen in belang toe en vele ontwikkelden zich tot veel meer dan simpele handelsposten alleen. Langs de route ontstonden feodale prinsdommen en kleine koninkrijken, soms aanzienlijke stadstaten.

In de negentiende eeuw verscheen de ene expeditie na de andere, aangetrokken door fantastische verhalen over onder het woestijnzand verdwenen steden waar ongelooflijke schatten verborgen zouden liggen. Misschien was Ch’ang-an een voorbeeld, de hoofdstad van de T’ang Dynastie die zijn hoogtepunt bereikte tussen ongeveer 600 en 900. De stad was het vertrekpunt voor reizigers over de Zijderoute en gold als de mooiste, meest kosmopolitische stad ter wereld. In het jaar 750 telde de stad bijna twee miljoen inwoners over een oppervlakte van 10 bij 7 kilometer, omgeven door een verdedigingsmuur met poorten die iedere nacht op slot gingen. In Ch’ang-an woonden naar schatting zo’n vijfduizend vreemdelingen en Zoroastrianen, Joden, Hindoes en Christenen konden hun eigen godshuizen bouwen. Een eindeloze processie van reizigers kwam dagelijks door de poorten de stad binnen, waaronder Turken, Iraniërs, Arabieren, Mongolen, Armeniërs, Koreanen, Japanners, Maleisiërs. Ieder denkbaar beroep was vertegenwoordigd, schrijft Hopkirk, kooplieden, missionarissen, pelgrims, afgezanten, dansers, musici, schrijvers, juweliers, wijnhandelaren, hovelingen en courtisanes. Dwergen traden op als goochelaars, acteurs en grappenmakers. Hele orkesten werden uit verre streken gehaald om leden van het keizerlijke hof te vermaken.

 


Graver uit Stockholm en Londen

Veel verdwenen steden werden onder het zand vandaan gegraven en kunstschatten, waaronder geleerde boeken en handschriften, maar ook muurschilderingen en fresco’s, zijn met wagonladingen vol naar het Westen vervoerd. In een tijd dat in het kader van het Grote Spel vooral Rusland, Groot-Brittannië en China druk bezig waren Centraal Azië onder hun invloedssfeer te brengen. Dus de vraag is: van wie zijn die kunstschatten? Uiteraard maakt China er aanspraak op, maar hoe terecht is dat eigenlijk? De koninkrijkjes waar ze werden opgegraven en ‘geroofd’ bestaan al heel lang niet meer en ten tijde van de opgravingen waren de nationale grenzen nog allerminst definitief getrokken.

We weten vaak wél wat er van de schatten is geworden: in het British Museum, bij voorbeeld, ligt het grootste deel in de kelders, ook om conflicten met China te voorkomen. De enorme verzameling die Von le Coq naar Berlijn heeft gebracht, is ernstig aangetast. De grootste muurschilderingen, die vaak in stukken gezaagd zijn om ze te kunnen verpakken en te vervoeren, werden in het Berlijnse museum opnieuw tegen de muren gemetseld. Tussen november 1943 en januari 1945 werd Berlijn platgegooid. Achtentwintig van de grootste schilderingen, zegt Hopkirk, werden volkomen verwoest nadat ze meer dan duizend jaar aardbevingen, oorlogen en rooftochten hadden doorstaan. Wat er nog over is, zijn kapotgeslagen muren in de oude woestijnkloosters.

 

illustraties afkomstig uit:
Peter Hopkirk (1980) Foreign Devils on the Silk Road. London (John Murray)