Ook in Italië wordt de Eerste Wereldoorlog beschouwd als ‘de grote oorlog’, hoewel het een jaar duurde voordat het land er daadwerkelijk bij betrokken raakte. Eind mei 1915 sloot Italië zich aan bij de Gealliëerden — de verwachting was dat het leger de Oostenrijks-Duitse coalitie, waaronder ook Hongaren, Kroaten en Serviërs, onder de voet zou lopen om een aantal belangrijke Oostenrijkse steden te kunnen bezetten, maar het liep anders. De Italianen trokken naar de Isonzo (gelegen in het tegenwoordige Slowenië), maar werden bij die rivier tegengehouden. Het was bergachtig terrein, totaal ongeschikt voor oorlogsvoerig. Tussen eind juni 1915 en begin november 1917 zijn maar liefst 12 opeenvolgende veldslagen ondernomen die op niets uitliepen, maar het leven kostten aan zo’n driehonderdduizend soldaten, omstreeks de helft van het totaal aantal gesneuvelde Italiaanse soldaten in de oorlog.

Italianen aan het front

 

 

 

 

 

 

 

De Italiaanse opperbevelhebber was Luigi Cadorna, die er een simpele strategie op nahield: ‘We vallen aan en lopen de vijand omver’. Dat dit in de praktijk mislukte, weet hij aan een gebrek aan discipline en hij paste de oude Romeinse methode van ‘decimering’ toe. Eén op de tien soldaten werd voor straf neergeknald, dát zou ze leren vechten! Pas na de catastrofale nederlaag van de Italianen bij Caporetto in november 1917, werd Cadorna vervangen door Armando Diaz. Cadorna had niet alleen de grootste minachting voor zijn troepen, hij ontsloeg vele tientallen generaals, maar ook voor de politieke autoriteiten; niemand had zich te bemoeien met ‘zijn’ oorlog. Helaas was hij niet alleen een stompzinnige bullebak, maar ook een incompetente militair bevelhebber die geen flauw benul had van oorlogsvoering. Cadorna werd door Mussolini onderscheiden en met eerbewijzen overladen.

Dit is de context waarin A Farewell to Arms gesitueerd is, de roman waar Ernest Hemingway in 1929 zijn naam mee maakte. Zijn beschrijving van het terugtrekkende leger na de slag bij Caporetto is bloedstollend. ‘Ik had me niet gerealiseerd hoe gigantisch de aftocht was’, realiseert hoofdpersoon Henry (gemodelleerd naar de schrijver) zich, ‘Het hele land was op drift, net als het leger, we liepen de hele nacht en schoten sneller op dan de vrachtwagens’. Onderweg wordt het leger geïnspecteerd door groepen carabiniere, die alle officieren staande houden en ondervragen. Een officier zonder soldaten wordt beschouwd als verrader en wordt ter plekke neergeschoten. ‘Waarom ben je niet bij je afdeling?’; ‘Weet je niet dat een officier bij zijn troepen hoort te zijn?’ — dat soort vragen krijgen ze naar het hoofd. En: ‘Het is door jullie verraad dat de barbaren zich nu op de heilige grond van het vaderland bevinden’, ‘Het is door jullie lafheid dat we verloren hebben’. Henry, die als Amerikaanse vrijwilliger op een ambulance rijdt, ziet de bui aankomen en vlucht.

hemingway

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik heb twee vriendinnen die afstammen van (groot-)vaders, die in deze oorlog gevochten hebben. De één is Oostenrijkse, de ander Italiaanse — hun familieleden hebben misschien op elkaar geschoten. Ze kennen elkaar niet, maar hebben beiden scherpe herinneringen aan het leed dat de grote oorlog in hun respectievelijke families heeft aangericht. In deze tijd van herdenkingen en terugblikken wordt het allemaal weer opgerakeld. In beide landen is de ‘grote oorlog’ lange tijd verzwegen geweest. Hoewel Hemingway een hoge onderscheiding kreeg vanwege moedig gedrag (hij was zélf zwaar gewond, maar wist toch een Italiaanse soldaat te redden en werd daarbij nog zwaarder gewond), werd zijn boek meteen bij publicatie in Italië verboden. Het heeft tot vér na de Tweede Wereldoorlog geduurd voordat aan de verwerking van de Eerste Wereldoorlog kon worden begonnen. Er komt nooit een eind aan narigheid.