De redactie van De Gids luidt de noodklok (jrg 179, 2016, nr 3): aan weinig lijkt tegenwoordig zoveel behoefte als aan leiderschap. In een toelichting staat: allen zijn we onzeker, niemand weet hoe het leven geleefd moet worden. Op zoek naar leiderschap, dus. Het nummer is gevuld met lange essays over het fenomeen. Dure woorden, uitweidingen, diepzinnige analyses. Ik had me het probleem eerlijk gezegd nog niet gerealiseerd, zo zie je maar weer hoe nuttig een tijdschrift is dat zes keer per jaar volgens eigen zeggen de beste verhalen, gedichten en essays van de Lage Landen presenteert.

Maarten Asscher opent met De rol van de leider. Hij signaleert de roep om leiderschap nog dringender dan de redactie al deed. Maar hij stelt zich de nuttige vraag: waarover hebben we het eigenlijk als we het over leiders hebben? Is leiderschap iets wat je bent of is het iets wat je doet? Aan de hand van een voorbeeld uit de Nederlandse praktijk laat hij zien dat leiderschap in ieder geval niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit iemands staat van dienst. Het gaat over oud-minister Loek Hermans, die zo’n tachtig functies bekleedt en in allerlei hoedanigheden politiek actief is geweest, van gemeenteraadslid tot Commissaris van de Koningin. Ondanks die overvloed aan schnabbels, baantjes en bijbaantjes, laat Asscher weten, is Hermans niet bepaald het type van een leider. Als de heer Hermans zich al over inhoudelijke zaken uitlaat, is het in de vorm van algemeenheden en clichés die laten zien dat hij op z’n minst nogal wereldvreemd in het leven staat. Asscher kwalificeert: het Hermansiaanse leiderstype is de ervaren vergadervoorzitter, de wollige improvisator, de handenschuddende Haagse netwerker. Voor Loek Hermans kun je tal van andere namen invullen: Tineke Netelenbos, Ed Nijpels, Annemarie Jorritsma, Thom de Graaf. Ik ken de namen, maar moet me verlaten op Asscher, want mijn kennis van het Nederlandse ‘leiderschap’ is beperkt.

Is er dan zoiets als ‘leiderschaps-dna’? Niet gebaseerd op wat je hebt gedaan, maar op wat of wie je bent? Asscher heeft kennelijk moeite met het antwoord op deze vraag en verzandt in bespiegelingen over Richard Nixon. Hij tovert de oplossing van het vraagstuk tenslotte uit de hoge hoed: leiderschap is een combinatie of de wisselwerking tussen hoe iemand is en hoe hij handelt, tussen persoonlijkheid en gedrag. Tja, dat was vast al van te voren bedacht, anders had hij zijn vraag anders geformuleerd. Bij leiderschap is ‘acteren’ belangrijk, zegt Asscher, wat hij afleidt uit de Engelstalige omschrijving van het begrip: leadership is the ability to act and to enable others to act. Of je uit het werkwoord to act in dit verband mag afleiden dat er iets anders bedoeld wordt dan ‘handelen’ is de vraag, maar het komt in Asschers straatje te pas.

Wat me nogal bevreemdt in de verhandeling over leiderschap is de sterke nadruk die zowel de redactie van De Gids als Asscher en anderen leggen op het veronderstelde leiderschap van politici, ambtenaren en bestuurders. Is de Nederlandse premier Mark Rutte de ‘leider’ van Nederland, Barack Obama de ‘leider’ van de Verenigde Staten, zoals Charles Manson de ‘leider’ van zijn moordzuchtige familie was? Bij discussies over macht, gezag en leiderschap zou je nog steeds met vrucht kunnen putten uit het erfgoed van de sociologie: Max Weber is de voor de hand liggende bron. In zijn Wirtschaft und Gesellschaft onderscheidt hij drie soorten van gezag. Bij de discussie in De Gids kunnen we het eerste type gevoegelijk overslaan, namelijk traditioneel gezag. Dit gaat, zoals het woord al aangeeft, om gezag dat door de traditie is vastgelegd: koning, stamhoofd, kerkvorst. Iemand is met macht en gezag bekleed omdat dit nu eenmaal zo hoort en altijd zo geweest is. Een koning kan nog zo’n brekebeen zijn, hij is nu eenmaal koning en zal dat blijven tot zijn dood. Omdat de traditie het wil.

Het tweede type is rationeel-legaal gezag: het gaat om bekleders van een ambt dat zijn legitimiteit aan wetten en regels ontleent en dus niet van een persoon afhangt of van de persoonlijke eigenschappen van de bekleder van die positie. Alle voorbeelden die Asscher noemt zijn uit die sfeer afkomstig. We hebben in Nederland Mark Rutte als premier omdat hij via algemeen erkende regels en procedures op die plaats terechtgekomen is en niet omdat hij het soort leider is waar Asscher naar verlangt. Mark Rutte, zegt de auteur bijna met spijt in zijn stem, geeft persconferenties zonder fut of inspiratie (een mens beeft bij de gedachte hoe Asscher de voormalige premier Balkenende zou karakteriseren) en ‘glibbert overal doorheen’ met ‘nietszeggende antitaal’. Afgeserveerd! Wat Asscher blijkbaar wil is inspiratie en motivatie, taalvaardigheid, een leider van de derde soort: iemand met charisma. Charismatisch leiderschap is gebaseerd op persoonlijke gaven, een soort genade (charis) die de betreffende leider in staat stelt dingen te doen die anderen niet kunnen. Charismatische leiders zijn typisch dictators, demagogen, goeroes, sekteleiders, leiders van revolutionaire of criminele bendes, volksmenners. Kortom: mensen met het door Asscher verworpen leiderschaps-dna.

In een andere tak van de sociologie is een klassieke analyse te vinden van charismatisch leiderschap (al wordt het niet zo genoemd) in de praktijk. Het gaat om Doc, de leider van de Nortons, een straatbende in de Italiaanse wijk van Boston, North End, beschreven door William Foote Whyte in zijn onvolprezen Street Corner Society. Whyte laat zien dat Doc vindingrijker is dan zijn volgelingen, op basis van eerdere ervaringen weten de leden van de Nortons dat Doc meestal gelijk heeft. Als hij iets belooft, houdt hij zich eraan en de bendeleden wenden zich tot hem voor advies en aanmoediging; Doc weet als geen ander wat er in de groep leeft. Doc wordt gewaardeerd vanwege zijn ‘objectiviteit’; hij mag aan iemand een hekel hebben, maar dat laat hij niet merken, geen vriendjespolitiek, geen persoonlijke vetes die zijn oordeelsvermogen kunnen vertroebelen. Misschien is Doc niet de beste knokker van de bende, of de beste kaartspeler of wat de bende ook maar voor activiteiten ontplooit, hij heeft op z’n minst een grote handigheid waardoor hij als volwaardige medespeler kan functioneren. Doc wordt geacht de belangen van de bende te verdedigen tegenover de buitenwereld. De bende mag onderling nog zo verdeeld zijn en in groepjes uiteenvallen, Doc weet de eenheid te bewaren en alle neuzen in dezelfde richting te krijgen.

Laat Mark Rutte in godsnaam doorgaan met glibberen en glijden, als hij zich tenminste aan de regels houdt. Laten we hopen dat de noodkreet van intellectueel Nederland om nieuw leiderschap voor altijd onbeantwoord blijft. Hoeveel bewondering en waardering je ook voor een charismatische leider als Doc kunt opbrengen, je moet er niet aan denken dat iemand als hij de macht in Nederland in handen krijgt.

 

illustraties
Mark Rutte; bron: nu.nl
Richard Nixon; bron: huffingtonpost.com
Schema van leiderschap bij Nortons; bron: cllasandbox1.tamu.edu