Michael Gove, onderwijsminister in het huidige Britse kabinet, heeft het gedaan. Hij waagde het om de inhoud van het General Certificate of Secondary Education (GCSE) voor het onderdeel letterkunde te wijzigen en schijnt dat zelfs op eigen gezag te hebben gedaan – de minister weet overigens waarover hij praat, hij heeft letterkunde gestudeerd. In het Verenigd Koninkrijk ontstond onmiddellijk een strijd tussen ‘benepen nationalisten’ en ‘vrijzinnige kosmopolieten’. Waar gaat het om? De minister vindt dat leerlingen van de middelbare school intellectueel beter gekwalificeerd moeten worden en daartoe is het zaak dat er meer specifieke Britse literatuur op de verplichte boekenlijst staat. Tenminste een stuk van Shakespeare en meer negentiende eeuwse romans van schrijvers als Jane Austen, George Elliot en vooral Charles Dickens. Dat gaat ten koste van enkele Amerikaanse schrijvers: werk van John Steinbeck, Harper Lee (To Kill a Mockingbird), Arthur Miller. Sommige mensen reageerden woedend en de lezers van The Guardian bleken in meerderheid John Steinbeck boven Charles Dickens te verkiezen. Ik hoorde van de kwestie en dacht: wat heerlijk om in een land te wonen waar dit een heet hangijzer is! Politici die niet zo’n beetje analfabeet zijn, maar precies weten wat literatuur is en hun klassieken kennen.

Eén van de reacties is geschreven door Tim Parks (Financial Times,12 juli 2014), de Engelse schrijver die het grootste deel van zijn leven in Italië heeft gewoond en gewerkt en daarom misschien in staat is de kwestie met een zekere afstand te benaderen. Dat doet hij zeker en hij maakt daarbij gebruik van een gedachte die hij al eerder onder woorden gebracht heeft, onder andere toen hij een tijdje geleden een week of wat in Amsterdam doorbracht. Hij schetst het belang van een eigen ‘gemeenschapsliteratuur’ – Dickens schreef voor een publiek dat hij beschouwde als zijn ‘familie’ en zijn verhalen waren voor het merendeel van zijn lezers — leden van de stedelijke middenklasse — onmiddellijk herkenbaar. Zulke literatuur helpt ook kinderen om inzicht te verwerven in de culturele rol van de literatuur en tot op zekere hoogte in de eigen geschiedenis en die van de natie. En, zegt Parks terecht: The more a kinship is sensed in our own writers, the more we can grasp the differences of a work coming from elsewhere.

Maar, vervolgt de auteur, die situatie bestaat niet meer, vandaag de dag. We leven in een tijdperk van mondialisering en schrijvers hebben eerder een onbekend, internationaal lezerspubliek voor ogen dan hun eigen achterban, zoals Dickens. En ook lezers voelen zich steeds beter thuis in een ‘vreemde’ literatuur – een proces dat al veel langer speelde bij de literaire uitwisseling tussen Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Hoewel het ‘verboden boek’ van John Steinbeck (Of Mice and Men) zich afspeelt in de jaren dertig en handelt over specifieke sociale problemen uit die tijd — het boek is gesitueerd in Californië —, is het in het Engels geschreven en het Britse publiek is goed op de hoogte van Amerikaanse toestanden. De Britse bioscopen en tv stromen over van Amerikaanse producties. We hear so much about their elections, zegt Parks, we sometimes wonder why we’re not allowed to vote in them… It’s not such a big step to read Steinbeck.

Volgens de auteur zou 50 tot 70% van alle romans in Europese boekhandels uit het Engels vertaald zijn, met name het Amerikaans-Engels. De mondialisering is geen evenwichtig proces, want andersom geldt dit niet: slechts omstreeks 3% van alle romans op Britse of Amerikaanse boekenplanken is vertaald. Amerikanen kunnen hun romans volstoppen met ‘typisch’ Amerikaanse voorwerpen, situaties, gesprekken, problemen en andere parafernalia – ze worden desondanks over de hele wereld gelezen. Een Servische schrijver die zijn roman op dezelfde manier zou componeren kan een vertaling wel vergeten – zijn lezers zouden er niets van begrijpen zonder uitgebreide toelichtingen. Een belangrijk middel om je overal geliefd te maken en grenzen te overschrijden is gebruik te maken van fantasieverhalen, sprookjes. Gabriel García Márquez is een voorbeeld, of – recent – Man Booker prijswinnares Eleanor Catton met haar The Luminaries. ‘Pastiche and cleverness’ is het oordeel van Parks: het soort boeken waarvoor internationale literaire prijzen zijn uitgevonden. Geen binding met een bestaande gemeenschap meer.

Parks conclusie is niet spectaculair, maar wel verstandig, dunkt me. Bij het samenstellen van literatuurlijsten mogen we niet veronderstellen dat leerlingen van de middelbare school literatuur uit de hele wereld zomaar kunnen lezen en begrijpen. We zouden ze een idee moeten geven van de veranderende verhoudingen tussen schrijver, lezer en land van herkomst aan de hand van schrijvers uit de eigen cultuur, die van andere culturen en schrijvers die van ‘overal’ zijn. Maar bovenal zou een leerling moeten worden uitgedaagd om zich af te vragen waarom hij de boeken van de verplichte lijst zou lezen. Kritisch vermogen en weerbaarheid tegenover goedkope leuzen, daar gaat het om, niet om Charles Dickens of John Steinbeck. Het lijkt me dat deze les van Parks voor ons allemaal kan gelden.