Het begon bij Konstantin Paustovskij. In zijn roman De romantici, oorspronkelijk verschenen in 1935, staat een korte uitweiding over het licht. In de achttiende eeuw hadden we nog kaarsen, merkt hij op, maar die zijn verdrongen door kerosine, elektriciteit en acetyleen. Als het licht in je ogen brandt en je schoon genoeg krijgt van elektrisch licht, dan begin je heimwee te krijgen naar kaarsen en naar de geur van was. En, vervolgt hij, over iedere bladzijde van de boeken van onze schrijvers en dichters ligt het schijnsel van olielampen en kaarsen. Wat Paustovskij precies wil zeggen is niet helemaal duidelijk. Gaat het om het licht dat in de boeken beschreven wordt? Misschien – volgens hem is de zon die Anatole France beschrijft, de herfstzon van het Bois de Boulogne ten tijde van de Franse Revolutie. Maeterlinck beschrijft de morgenglans van kanalen, Verhaeren de zonsondergangen boven de haven van Antwerpen.

Maar bij de andere voorbeelden die hij noemt gaat het om het licht waarbij schrijvers en dichters schreven, een geheel andere kwestie. Guy de Maupassant schreef bij een rode lampenkap (lampenkamp staat in de Nederlandse vertaling), Verlaine bij zielige gaskousjes in een café, Baudelaire bij een olielamp met een zwarte, kegelvormige kap, Tsjechov bij een olielamp met een groene kap, Oscar Wilde bij fonkelende olielampen en schoorsteenmantels, Kellerman bij het schijnsel van een open haard.

Eerlijk gezegd had ik nooit een gedachte gewijd aan het verband tussen schrijven en licht, in welke zin dan ook. Zou het uitmaken of je bij kaarslicht, daglicht, neonlicht of … op een computer schrijft? Heeft dat invloed op je stijl? Op je stemming? Kun je als lezer zulke verschillen zien of is het louter verbeelding en suggestie wat Paustovskij te berde brengt? Ik sprak erover met mijn geleerde buurman. Hij had onmiddellijk het werk van P.C. Hooft paraat, die op het eind van de zeventiende eeuw als jongeman naar Italië vertrok voor een grand tour en, in de woorden van mijn buurman, het schitterende licht van Venetië, Milaan en Rome mee terugbracht naar de Nederlanden. Ook de jongere Joost van den Vondel heeft zich uitdrukkelijk met het licht beziggehouden, met name in zijn treurspel Jupiter. De vraag naar de invloed van soorten licht op schrijfstijl en gemoed is daarmee nog niet beantwoord, maar ik ben er inmiddels van overtuigd geraakt (ook na het nodige geblader door mijn boekenkast) dat licht en literatuur geen vreemden voor elkaar zijn. Al helemaal niet als het gaat om licht in de context van dag en nacht, bij voorbeeld.

In andere disciplines is de band met licht zo vanzelfsprekend dat je daar weer om andere redenen zelden of nooit uitdrukkelijk bij stilstaat. Film is een voorbeeld en in een tv-documentaire die ik onlangs zag over de beroemde Parijse fotostudio van Harcourt, kwam een portretfotograaf aan het woord die zei dat het in zijn vak ging om boetseren met licht. Prachtuitdrukking! Architectuur, nog zo’n vak. Bij ‘afwijkende’ bouwwerken realiseer je je welke centrale rol het licht speelt of zou moeten spelen. Ik zag – ik meen in Amersfoort – een ondergrondse villa en dacht onmiddellijk: zit je daar de hele dag in het donker? Natuurlijk niet, de architect zal slimme oplossingen hebben bedacht voor het binnenlaten van licht. Zo’n opgave hebben ook de architecten die ondergrondse verdiepingen bijbouwen in de chique herenhuizen van dure Londense wijken als Chelsea – onder hun achtertuinen laten oliesjeiks en andere oligarchen zwembaden, wijnkelders en biljartzalen aanleggen, soms drie verdiepingen diep. Hoe krijg je daar daglicht?

Bij schilderkunst hoeven we ook niet lang stil te staan – hoeveel schilders hebben hun hele loopbaan niet geworsteld met licht? De bekendste moderne ‘lichtschilder’ is ongetwijfeld Edward Hopper. Ik kan de titels van allerlei schilderijen noemen waarbij je als kijker omver geblazen wordt door het doordringende licht: Summertime, Morning Sun, Summer Evening, Sea Watchers, People in the Sun. Ook op zijn stedelijke ‘avondschilderijen’ gaat het om licht, een ongelooflijk soort kunstlicht: Nighthawks, Office at Night. Hopper was bezeten van licht, vooral zonlicht. I’m trying to paint sunlight, zei hij. Het probleem is dat je het zonlicht pas goed kunt zien als het op een of andere natuurlijke vorm valt, maar juist die vorm dreigt datzelfde licht te overschaduwen en weg te drukken. Misschien is Hoppers Sun In An Empty Room de ultieme poging om die twee elementen te verzoenen. David Hockney heeft weer een ander probleem met licht: de snel wisselende weersomstandigheden bij het schilderen van landschappen. Je hebt zon, maar een paar minuten later schuift er een wolk voor en nog wat later is het licht weer helemaal anders. Voordat je het landschap hebt vastgelegd, wat bij sommige schilders toch al gauw een paar uur kan duren, zijn de omstandigheden al talloze keren van karakter veranderd. Hockney experimenteert met film: landschappen die met negen camera’s tegelijk worden vastgelegd, en met zijn handige tablet waarmee hij snelle schetsen achter elkaar kan vastleggen.

Speelt licht ook een rol in muziek? Dat was de vraag die mijn geleerde buurman stelde na onze gedachtenuitwisseling. Tja, inderdaad, goeie vraag. In de muziek wordt veel schildersjargon gebruikt: componisten schilderen met ‘klankkleuren’, voor sommige onderdelen van een opera heb je een coloratura sopraan nodig. Kun je die verschillende kleuren horen? Ik ken Messiaens Couleurs de la Cité Céleste, waarin de kleuren die in het Bijbelboek Openbaring worden opgesomd, verklankt worden. De stad zelf was van zuiver goud, helder als glas, de grondstenen van de stadsmuren waren versierd met allerlei edelstenen. Het gaat om jaspis, lazuur, kornalijn, smaragd, sardonyx, sarder, olivijn, acquamarijn, topaas, turkoois, granaat en amethist. Dit alles wordt ten gehore gebracht in een kwartier; een pianosolo en een orkest met drie klarinetten, een trompetje, drie reguliere trompetten, twee hoorns, drie trombones, xylofoon, xylo-rimba, marimba, bellen, gongen en tom-toms. Het is niet mijn favoriete muziek. John Adams heeft een muziekstuk gecomponeerd dat is geïnspireerd op de schittering van het winterlicht op de oceaan bij zijn studio aan de kust van Californië: Light Over Water. Van John Adams krijg ik nooit genoeg en als ik goed luister hoor ik de schittering van het licht – een stuk duidelijker dan al die fantastische kleuren van Messiaen.

Maar… ik ken de ‘tekst’ bij de muziek. Wat zou er gebeuren als ik de stukken zou laten horen aan een oningewijde, iemand die geen idee heeft welke kunstenaars de muziek hebben gecomponeerd en hoe de composities heten? Hoort zij dan hetzelfde als ik? Kleuren? Licht?

 

illustraties:
gaslichtlantaarns; bron: gaslicht-kultur.de
edward hopper’s ultieme lichtschilderij; bron: www.edwardhopper.net