In Een primatenerfenis schrijft Maarten ’t Hart over literaire prijzen. Homo sapiens grossiert in competities op alle terreinen des levens, merkt hij op, niets blijkt ongeschikt voor een krachtmeting. Tja, ’t Hart… vanuit zijn achtergrond als bioloog reduceert hij altijd en eeuwig ieder soort menselijk gedrag tot instinctmatige impulsen. Des te vreemder als je een pagina verder de volgende zin tegenkomt: In het bedaarde reservaat der letteren, waar je redelijkerwijs mag veronderstellen dat men zich bezighoudt met de innerlijke rijkdom van de mens, met verfijnde gevoelens en verheven gedachten, zou je verwachten dat men deze energieverslindende en weinig verheffende primatenerfenis ver achter zich gelaten heeft. Curieus! Waarom zou je dat verwachten als je immers het uitgangspunt hanteert dat krachtmetingen kenmerkend zijn voor de mensheid?

Ach, het is een retorische trucje—de schrijver wil juist de wildgroei aan krachtmetingen in het literaire leven belichten. Het stuk waaruit ik citeer, kun je aantreffen in Dienstreizen van een thuisblijver, een verzameling opstellen, anekdotes en beschouwingen die is gebundeld als nummer 272 van Privé-domein, uitgegeven door De Arbeiderspers. Het werk dateert uit 2011, maar werd onlangs voor een prikje aangeboden ter gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van de reeks. Een aantal stukken heb ik hier en daar wel eens gelezen, maar ik kan de oorsprong niet meer achterhalen: vreemd genoeg is er in het boek geen enkele referentie te vinden, alsof alle stukken speciaal voor deze uitgave zouden zijn gecomponeerd. Slordig haastwerk?

Overigens is ’t Harts observatie niet opzienbarend. Allerlei andere schrijvers in binnen- en buitenland hebben het verschijnsel opgemerkt en beschreven. De Amerikaan Joseph Epstein schreef er vorig jaar over in Commentary (28 november 2015). Als het om reputaties gaat, schrijft hij, vindt geen enkele schrijver dat hem recht is gedaan, terwijl hij er net zo zeker van is dat veel van zijn collega-schrijvers ten onrechte prijzen en onderscheidingen hebben ontvangen. Een vriend waarschuwde hem op een goede dag geen contact op te nemen met Saul Bellow: De Nobelprijs voor literatuur is vanochtend bekendgemaakt en hij won hem alweer niet voor de tweede keer. Zouden schrijvers erger zijn dan andere hoofdarbeiders?

Ik denk ’t niet. Epstein heeft vernomen dat vooral klassieke musici elkaar het licht in de ogen niet gunnen, maar ik denk dat advocaten, filmsterren, zakenlieden en wetenschapsbeoefenaren voor geen enkele willekeurige andere beroepsgroep onderdoen in rivaliteit. Ik heb in jury’s gezeten voor ontwerpers/architecten, universitaire scripties, essayisten, proefschriften, maar het is ondoenlijk om de graad van onderlinge competitie en concurrentie op een overtuigende manier te meten. Het zou kunnen dat je er bij schrijvers meer over hoort omdat zij nu eenmaal bij uitstek over de gave van het woord beschikken en virtuoos kunnen schelden en mopperen. Niets aardiger dan een pittige polemiek!

’t Hart laat de gang van zaken zien bij een literaire jury en hoewel hij daar naar eigen zeggen nauwelijks ervaring mee heeft, lijkt me zijn analyse redelijk levensecht. Fundamenteel is dat het bij literaire krachtmetingen, anders dan bij sport, niet om de chronometer of de doelpunten gaat, maar om subjectieve, vage criteria, plus bijkomende zaken als vriendjespolitiek, netwerken en dergelijke. Niemand hoeft het zich aan te trekken dat hij of zij nooit een literaire prijs gewonnen heeft. Meestal wordt werk bekroond waar je grote vraagtekens bij kunt zetten, zegt ’t Hart en hij noemt als voorbeelden Jan Siebelink, Brigitte Raskin, J. Bernlef, Bernard Dewulf—werk waar je je houtkachel niet van zou willen stoken, incestueus prullenbakproza, smakeloos, levenloos maakwerk, akelig larmoyant en sentimenteel.

De auteur heeft een keer in de jury van de AKO-prijs gezeten en vertelt hoe het daar toeging: elk boek werd in principe door twee juryleden gelezen, maar niet ieder jurylid hoefde alles te lezen. De boeken werden beoordeeld met A, B, of C en een boek dat twee C’s had gekregen, werd van de lijst afgevoerd. ’t Hart merkte dat hij, als boekenjunk, de enige was die alles las en daarmee veel invloed kon uitoefenen. Als je tegen een ander jurylid zei Ach, joh, dat heb ik al gelezen, dat is niks, dan viel zo iemand je in de armen: Mooi zo, weer een boek van de stapel, voorzien van een C, dat hij of zij ongelezen voor een habbekrats bij De Slegte kon verkwanselen.

Als jurylid word je in toenemende mate bevangen door ergernis: je moet een hoge stapel fictie doorploegen en op den duur gaan die inzendingen allemaal op elkaar lijken. Prille seksuele ervaringen gecombineerd met vakantiebelevenissen. Je begint te lijden aan fictiefrictie. Ik heb hetzelfde gehoord van andere literaire juryleden—een duidelijk verschil met mijn eigen ervaringen als jurylid van doctoraalscripties, universitaire proefschriften of stedenbouwkundige ontwerpen. Niet alles heeft dezelfde hoge kwaliteit, maar de werkstukken die je onder ogen krijgt zijn doorgaans boeiende vergezichten op verschijnselen die je niet eerder zo intiem had leren kennen. Of, heel anders: concrete fietspaden in Amsterdam-Oost, plantsoen in Noord, of afmetingen van wegen en gebouwen op IJburg, oplossingen die nieuw en vaak ingenieus zijn.

’t Hart stelt de definitieve oplossing voor om uit dat prijzencircus te komen: geef voortaan alle prijzen aan Arnon Grunberg. Het zal in ieder geval een grote werkbesparing opleveren, geen kreunende jury’s meer die bezwijken onder honderden inzendingen. Voor andere schrijvers een opluchting: Grunberg krijgt alles, dus wij hoeven ons niet gepasseerd te voelen. Maar ook, denk ik—en dat meen ik serieus, een opluchting voor jury’s: je komt met een naam naar buiten waaraan niemand zich stoot, zodat je als jury de overtuiging kunt koesteren dat je je werk naar tevredenheid hebt gedaan. Want: neemt iemand je als jurylid nog serieus als je met een onbekende schrijver aan komt zetten; niemand heeft van hem gehoord, dus dat kan niet veel bijzonders zijn! Het is opmerkelijk dat bekroonde schrijvers steeds opnieuw prijzen winnen, een jury pronkt graag met een beroemdheid. ‘We kunnen nooit fout zitten, want onze kandidaat is al tien keer eerder bekroond’, hoor je dan.

Gaat het elders op een andere manier? Nee. Tim Parks beschreef onlangs de gang van zaken bij de toekenning van de Nobelprijzen (What’s Wrong With The Nobel, in zijn bundel Where I’m Reading From, 2015). Alle juryleden, afkomstig van de Zweedse Academie, zijn voor het leven benoemd. Je hoort er nooit een nieuw geluid. De beoordeling is getrapt en berust op leesrapporten van talrijke correspondenten over de hele wereld. Van de voorgestelde werken is uiteraard maar een gering aantal in het Zweeds geschreven of vertaald. En hoe vergelijk je een dichter uit Indonesië met een romanschrijver uit Kameroen en een populaire Amerikaanse auteur die iedereen kent?

Je hoeft er niet lang over na te denken: zo’n prijs is natuurlijk belachelijk.
We zouden ons moeten realiseren dat we gek zijn om dit alles serieus te nemen, zegt Parks. Terecht, denk ik.
Zou Maarten ’t Hart toch gelijk hebben, dat we niet door ons bezonken oordeel worden voortgedreven maar door onze basic instincts?
Het prijzencircus is op een andere manier inderdaad niet goed verklaarbaar.

 

 

illustraties:
Maarten ’t Hart; bron: nufoto.nl
Joseph Epstein; bron: kstreet607.com
Tim Parks: bron: www.independent.co.uk