Ludwig van Beethoven, opus 131

Het beluisteren van Beethoven’s opus 131, het strijkkwartet in cis kl.t., is iedere keer weer een belevenis. Tenminste voor mij. Ik moet het (met enige overdrijving) ontelbare keren hebben gehoord, maar het blijft nieuw en verrassend, ontroerend en opwindend. Ook weer afgelopen week toen het stuk werd uitgevoerd in de Kleine Zaal van het Concertgebouw door het Danel Kwartet, momenteel ‘ensemble in residence’ van het Utrechtse TivoliVredenburg.

Toch ben ik in het algemeen geen groot Beethovenfan. Ik ben niet dol op zijn symfonische muziek en al helemaal niet op zijn opera Fidelio. Het vioolconcert is zeker een juweel (dat werd toevallig op dezelfde avond in de Grote Zaal uitgevoerd door Isabelle Faust—kennissen zeiden na afloop dat Beethoven zo fraai was geweest; ik beaamde het volmondig, maar kwam er later pas achter dat zij een andere Beethoven hadden gehoord dan ik), maar tegenover veel van zijn kamermuziek sta ik paf… van bewondering en ontzag.

 


Maestro

Strijkkwartet opus 131 (strijkkwartet nummer 14) maakt onderdeel uit van de zogenaamde ‘late strijkkwartetten’; de componist voltooide deze toen hij al stokdoof was, een paar maanden voor zijn dood in 1827. In Preludium, het programmablad van het Concertgebouw, staat de achtergrond: het verzoek van de Russische prins Nikolaus Galitzin om nieuwe stukken. Als een hartstochtelijke liefhebber en bewonderaar van uw talent, neem ik de vrijheid te schrijven om u te vragen of u bereid bent een, twee of drie nieuwe kwartetten te componeren. Het zal me een genoegen zijn u te betalen voor uw moeite, elk bedrag dat u gepast vindt, schreef de prins in 1822. Hij was zelf een begaafd musicus en kende Beethoven’s muziek uit de tijd dat hij in Wenen had gewoond. Het zou nog even duren, want de componist was met andere dingen bezig, maar het kwam er toch van. Beethoven ging op Galitzins voorstel in en schiep zodoende—met de opusnummers 127, 130, 131 en 132—de hoogste en laatste top van zijn kwartetkunst, aldus de tekst in Preludium, die overigens niet ingaat op de inhoud van het kwartet.

Het componeren van de late kwartetten is uitvoerig geboekstaafd, hoe, wanneer, wat, wie. Het proces is omgeven met anekdotes, ontleend aan dagboeken en correspondentie. Beethoven blijkt af en toe gevoel voor humor te hebben gehad. Hij stuurde de ‘drukproeven’ van zijn opus 131 terug naar uitgeverij Schott & Co op 12 augustus 1826 en schreef op de titelpagina dat hij het stuk in elkaar had geflanst door hier en daar wat te stelen. De uitgever schrok zich een hoedje en verzocht de componist dringend om een toelichting. Het was een grapje: de uitgever had Beethoven tachtig dukaten beloofd voor een ‘origineel werk’. Iets dergelijks gebeurde met het strijkkwartet nummer 15 (opus 135). Het eerste stuk van het vierde deel (grave, ma non troppo tratto) heeft als motto Muss es sein? Het daarop volgende allegro wordt aangeduid als Es muss sein! Sommigen hebben er een ingrijpende zielsworsteling van de componist in gelezen, maar de verklaring is prozaïsch. De klemmende vraag was afkomstig van de rijke, maar gierige muziekminnaar Ignaz Dembscher die dolgraag gratis naar de première van de uitvoering van een van de strijkkwartetten had gewild. Dat lukte niet en daarom vroeg hij om de muziek zodat hij zelf een besloten uitvoering kon organiseren bij zich thuis, maar Beethoven weigerde hem de muziek af te staan. De man vroeg een vriend hoe hij de componist alsnog zou kunnen overhalen; deze adviseerde hem vijftig gulden te betalen, de prijs van het oorspronkelijke concert. Daarop had Dembscher vertwijfeld Muss es sein? uitgeroepen en toen Beethoven dat later hoorde, verwerkte hij dit in zijn stuk. Met dus zijn reactie erbij: Es muss sein!

 


De juiste chronologie

Speurwerk heeft opgeleverd wanneer de kwartetten precies voltooid zijn en hoe de nummering tot stand is gekomen. Opus 131 zou pas het vierde van de laatste kwartetten zijn geweest, ná 133 en voor 135. Hoe interessant dit ook mag zijn voor de échte liefhebbers, mij gaat het uiteindelijk om de muziek. Het is opmerkelijk dat opus 131 uit maar liefst zeven delen bestaat, die overigens zonder pauze worden gespeeld, bijna 40 minuten muziek achter elkaar. Dat vergt concentratie van de luisteraar, maar uiteraard nog veel meer van de uitvoerenden. Misschien zou je dat niet zeggen: de eerste twaalf nootjes zien er bedrieglijk simpel uit. Ze worden gespeeld door de eerste violist, de anderen vallen daarna bij. Ook Edward Dusinberre, de leider van het Takács Quartet, wijst op die ogenschijnlijke simpelheid. Hij schreef Beethoven for a Later Age over zijn tijd bij dat strijkkwartet. Het ritme is ongecompliceerd, het tempo prettig langzaam, schrijft hij. Maar… dan komt het: zelfs de eenvoudigste frase is uitdagend, er zijn zóveel verschillende manieren om ze te spelen. Hoe moet je de sforzando spelen (zie de illustratie)? Moet je op een bepaalde noot de nadruk leggen?

 


Simpele nootjes

Dusinberre laat zien hoe het bij een repetitie van het kwartet toegaat als je een bepaalde noot onderstreept: dat klinkt veel te agressief, kun je wat expressiever spelen?, zegt iemand. En dan: nu klinkt het te gemakkelijk—het moet meer gepijnigd klinken. Vervolgens wordt het tempo besproken: als het te langzaam is krijgen we geen gevoel voor de lijn, dit is het prille begin van een lang verhaal. En vervolgens: niet zo snel, anders klinkt het te oppervlakkig. Het soort geluid: probeer het wat rustiger te spelen, het verdriet zit meer van binnen, niet zo duidelijk aan de oppervlakte. Maar dan: niet te dun, te onzeker. Als je je eenmaal bewust bent van de problematische kant van de uitvoering, hoor je ook de verschillen duidelijker tussen uiteenlopende uitvoeringen.

De totale lengte van de uitvoering, bij voorbeeld. Van de drie cd-opnamen die ik afgelopen dagen heb beluisterd, lopen de tijden niet sterk uitéén: respectievelijk 37.32, 36.83 en 36.10 minuten. Maar de afzonderlijke delen lopen wél uit elkaar en schelen soms bijna minuten: 7.58 tegenover 6.53 en 6.23 voor het eerste deel; 14.38 tegenover 13.27 en 13.30 voor het vierde deel; 6.04 tegenover 5.02 en 4.59 voor het vijfde deel—om maar wat voorbeelden te noemen. Ook de toon en de aanpak verschilt per uitvoering. Soms klinkt een passage te ‘tonig’ zoals Dusinberre het noemt, ALSOF IN EEN ZIN ELK WOORD MET EVENVEEL NADRUK WORDT UITGESPROKEN zonder aanwijsbare reden. Individuele expressie en nauwgezette samenwerking dienen op een subtiele manier worden gecombineerd in een strijkkwartet—iedereen hoort het onmiddellijk als er iets misgaat. En voor iedere uitvoering moet het stuk weer opnieuw worden gerepeteerd: het moet zowel doorwrocht als spontaan zijn. Het is de bedoeling dat de luisteraars de muziek opnieuw ontdekken, maar dat geldt net zo hard voor de uitvoerenden.

De uitvoering van opus 131, zegt Dusinberre, is altijd een avontuur. Beethoven heeft in dit kwartet een enorme reikwijdte aan emoties verwerkt en de stemmingswisselingen vinden schijnbaar zonder overgang plaats. Hoe vaak je ook repeteert, steeds opnieuw is het de vraag hoe je de ijle stukken afwisselt met nerveuze snelle stukken en of het geluid wel sterk genoeg is voor het woeste laatste deel. Het Danel Kwartet wist vorige week de Kleine Zaal in vervoering te brengen, maar nadat ik thuis achtereenvolgens naar het LaSalle Quartet, Guarneri Quartet en het Takács Quartet had geluisterd, viel ik weer als een blok voor die laatste uitvoering. Onovertroffen.

 

illustraties:
Ludwig van Beethoven; bron: amazing.zone; cartoon is van Daniel Adel en stond in The New Yorker
De chronologievan de strijkkwartetten; bron: Monika Lichtenfeld, Ludwig van Beethoven, 1977 (opgenomen in het album van het LaSalle Quartet: Die späten Streichquartette, Deutsche Grammophon, 1977)
De eerste twaalf noten; bron: Edward Dusinberre, Beethoven for a Later Age. London (Faber & Faber) 2016, p. 1

By |2018-11-26T13:54:44+00:00maandag 26 november 2018|Categories: Blog|Tags: , , , , |Reacties uitgeschakeld voor Ludwig van Beethoven, opus 131