Ik ken geen klemmender, luguberder uiting van moordzucht dan dit:

Come, you spirits that tend on mortal thoughts, unsex me here
And fill me from the crown to the toe top-full
Of direst cruelty. Make thick my blood.
Stop up th’access and passage to remorse,
That no compunctious visiting of nature
Shake my fell purpose, nor keep peace between
Th’effect and it. Come to my woman’s breasts
And take my milk for gall, you murd’ring ministers.
(….) Come, thick night,
And pall thee in the dunnest smoke of hell.
That my keen knife see not the wound it makes,
Nor heaven peep through the blanket of the dark,
To cry ‘Hold, hold!’

De kenners zien het: aan het woord is Lady MacBeth, liever The Scottish Lady, de ongelooflijke tekst is uit Shakespeare’s MacBeth, oftewel The Scottish Play. Ze wisselt van gedaante, de gemalin van de Scottish Lord verandert in een levensgevaarlijke, bloeddorstige heks. De woorden werden in het prille begin van de zeventiende eeuw voor het eerst op het toneel uitgesproken door de jonge John Price, die samen met Richard Burbage een duo vormde dat menig stuk van Shakespeare tot zo’n daverend succes maakte dat hun reputatie al ruim vierhonderd jaar onaangetast is gebleven, hoewel we alleen maar kunnen afgaan op het oordeel van tijdgenoten. MacBeth is een van de kortste stukken van Shakespeare, maar misschien ook een van de pakkendste. Dat was in ieder geval het oordeel van de operacomponist Giuseppe Verdi toen hij in 1846 aan het libretto begon, hij beschouwde Macbetto als zijn dierbaarste opera.

Verdi deed een zwaar beroep op Franceso Piave, zijn librettist, maar uitsluitend om Verdi’s eigen proza in versvorm om te zetten. Hij schreef: Oh, ik smeek je op mijn knieën om mijn Macbetto met de grootste zorg te behandelen, al was het alleen maar vanwege mijn gezondheid. Die is nu nog uitstekend, maar zal sterk achteruitgaan als je me teleurstelt. Het moet kort en krachtig zijn. Eerder had hij al vastgesteld dat we met MacBeth iets uitzonderlijks in handen hadden… een van de grootste creaties van de mensheid. Als we er niet iets groots van kunnen maken, dan toch tenminste iets bijzonders. Macbetto is een opera als een paukenslag, inderdaad iets bijzonders. Het werk betekende een breuk in de negentiende eeuwse Italiaanse (en Europese) operatraditie: het ging niet langer om het mooie zingen als zodanig (belcanto), maar om het menselijke drama. En in Macbetto werd dat belichaamd door in feite maar drie stemmen:  MacBeth zelf, Lady MacBeth en de heksen op de achtergrond. De opera heeft twee absolute hoogtepunten: de ‘dialoog’ van het echtpaar nadat MacBeth zijn rivaal Duncan heeft vermoord en de fameuze slaapwandelscene van Lady MacBeth.

Wat de zeventiende eeuwse uitvoeringspraktijk van Shakespearestukken was, wist Verdi hoogstwaarschijnlijk niet. Hij kreeg de teksten in Italiaanse vertaling, want hij las of sprak geen Engels. Zijn fascinatie met de Engelse dichter moet gelegen hebben in de sterke overeenkomsten tussen de Engelse koningsdrama’s en de turbulente tijden van vóór de Italiaanse eenwording. In ieder geval had hij een duidelijke eigen interpretatie van de manier waarop zijn opera diende te worden uitgevoerd. Dat gold alleen al voor het toneelbeeld en Verdi bemoeide zich overal mee. Het werd nog eens ten overvloede opgemerkt door de Italiaanse dirigent Paolo Carignani, die onlangs een serie succesvolle uitvoeringen van Macbetto leidde bij de Vlaamse opera. In het programmaboekje legt hij uit dat je op reis moet naar de Povlakte om iets van Verdi’s enscenering te begrijpen. Je zult zien, zegt hij, dat er op die vlakte, gevangen tussen bergketens, altijd mist hangt. Je gaat naar een osteria, je drinkt de wijn die Verdi dronk—Lambrusco–en je eet de kaas die hij at—Parmigiano. Als je vervolgens naar buiten kijkt, dan zie je donkere verschijningen opdoemen in de mist. Die omstandigheden zijn volgens de dirigent voor 80% verantwoordelijk voor de sfeer die Verdi in zijn opera oproept.

 


Lelijke heks?

In Antwerpen was niets aan het toeval overgelaten, de handelingen speelden zich af in een soort claustrofobische spelonk en het toneel, inclusief de hele zaal, werd overvloedig besproeid met mistbanken van toneelrook; ik woonde een voorstelling bij dankzij een gul gebaar van een goede geest en ademde diep gelukkig de rook in. Maar het ging Verdi niet alleen om de cosmetica. Hij week af van het Italiaanse patroon om voor de hoofdrollen een sopraan en een tenor te selecteren, de duisterheid van het drama moest worden vertolkt door donkerder stemmen: MacBeth door een bas-bariton en Lady MacBeth door een mezzo-sopraan, in de productie van de Vlaamse Opera respectievelijk Craig Colclough (door dirigent Carignani geïnstrueerd om vooral coperto, ‘bedekt’, te zingen) en Marina Prudenskaya. Maar Verdi had nog veel meer noten op zijn zang. John Price, die als allereerste Lady MacBeth vertolkte, toen er geen vrouwen op het toneel werden toegelaten (ook de heksen waren mannen), was volgens de overlevering een jonge knaap met een angeliek uiterlijk. Misschien leidde zo’n scherp contrast tussen het onschuldige uiterlijk en de misdadige inborst tot een zekere perverse opwinding bij het gehoor. Verdi voelt weinig voor dat soort frivoliteiten. Zijn vertolkers mochten niets aantrekkelijks hebben en hoefden zelfs niet goed te kunnen zingen. Toen de opera in 1848 in Napels zou worden uitgevoerd, suggereerde de impresario dat hij de beeldschone Eugenia Tadolini zou inhuren voor de rol van de Lady, maar Verdi protesteerde heftig, hij schreef: Tadolini ziet er prachtig en aantrekkelijk uit, maar ik wil een lelijk en vals kreng. Tadolini zingt perfect, maar ik wil een Lady die niet zingt. Tadolini zingt helder, krachtig en ontzagwekkend, maar mijn Lady moet een harde, holle stem hebben. Tadolini is een engel, ik wil een duivel. Uiteindelijk koos Verdi voor Marianne Barbieri-Nini, vooral ook omdat ze opvallend lelijk was. Ze heeft later in haar leven geklaagd over de eindeloze repetities voor de uitvoering; steeds opnieuw probeerde de maestro haar duidelijk te maken dat ze veel te mooi zong naar zijn smaak. Ze werd er gek van, maar het resultaat maakte alles goed. Na de voorstelling stormde Verdi haar kleedkamer binnen, ze was half ontkleed. De componist pakte haar beide handen vast en wilde iets zeggen, maar bracht alleen een soort gepiep uit, zijn ogen waren rood. Wat Verdi van Marina Prudenskaya in Antwerpen gedacht zou hebben, weten we helaas niet, maar wat ze aan lelijkheid mogelijk te kort kwam, maakte ze goed door haar heksachtige lichaamstaal. Een angstwekkende verschijning. Overigens, dezelfde eisen van ‘lelijkheid’ stelde Verdi ook aan de vertolker van MacBeth.*)

 


Lelijke moordenaar?

Als je er even bij stilstaat is het wonderbaarlijk dat een toneelstuk van meer dan vierhonderd jaar oud en een opera van alweer zo’n honderdvijfenzeventig jaar oud nog zo’n overweldigende zeggingskracht hebben. De Vlaamse Opera geldt in bepaalde Amsterdamse kringen als een beetje ‘verstoft’, zeker vergeleken met de glanzende avant-garde die Pierre Audi gevestigd heeft in het Amsterdamse Muziektheater. Ik denk dat we blij mogen zijn dat er in Antwerpen nog een ‘ouderwetse’ theatertraditie in ere wordt gehouden.

*) met dank aan Garry Wills, Verdi’s Shakespeare. Men of the Theater. New York, etc (Viking) 2011

 

illustraties:
Giuseppe Verdi; bron: parmacityofgastronomy.it
Craig Colclough; bron: intermusica.co.uk
Marina Prudenskaya; bron: operamagazine.nl