Wil er niemand wonen in een megastad? Je kijkt op van zo’n mededeling, want grote steden zijn immers sterk in opmars en groeien als kool. De wijsheid vloeit uit de pen van Prof. mr. Friso de Zeeuw, praktijkhoogleraar aan de TU Delft, whatever that may be. Deze jurist weet schijnbaar niet alleen veel van steden, maar ook van heersende woonwensen: in de top twintig van grootste steden ter wereld zouden wij echt niet willen wonen, beweert hij parmantig. Net zoals wij waarderen dat er een grote afwisseling bestaat tussen stadsbebouwing, voorzieningen, groen ruimte en water op korte afstand. Van steden als Boston, Eindhoven en Bordeaux moeten we het volgens hem hebben. Ja, het staat er écht! De Zeeuw reageert in NRC Handelsblad (29 september 2016) op een bijdrage van collega-hoogleraar Zef Hemel aan de opiniepagina van hetzelfde vakblad voor intellectueel-Nederland (NRC Handelsblad 24 september 2016), waarin de loftrompet geblazen wordt over de megalopolis: Meer is meer in de megalopolis, luidt de kop, zo te zien een voorpublicatie uit een binnenkort te verschijnen boek over de toekomst van steden.

Hemel kwalificeert een grote stad als subliem en fascinerend: op een paar vierkante kilometer tref je er alles wat een mens zich kan wensen: muziek, theater, kunst, voedsel, drank, parken, sport, vertier, hoogte, vergezicht, drukte maar ook rust en dat alles ook nog eens vierentwintig uur per dag. De Zeeuw waarschuwt voor dit waandenkbeeld: als we dat zouden najagen, maken we van Nederland een ruïne. Krasse taal!

Een naïeve lezer zou van beide heren in de war raken. Alleen al vanwege het onderwerp zélf: waar hebben ze het precies over? Ik noteer: megastad, stadsagglomeratie, agglomeratie, grote stad, megametropool, concentrische megasteden, grootstedelijkheid, heel grote stad, megagrote stad, metropool. De suggestie dat beide heren langs elkaar heenpraten, wordt door deze begripsinflatie in sterke mate gewekt.

In de vakliteratuur geldt Jean Gottman als degene die het begrip megalopolis ijkte. Dat was in de jaren vijftig, hij had een nieuw verschijnsel ontdekt: een reeks van aaneengesloten stedelijke gebieden. Het was de tijd van de suburbanisatie, de bestaande steden moesten hun sterk groeiende naoorlogse bevolking opvangen—de roemruchte babyboom—en dat leek alleen te lukken door de aanleg van steeds nieuwe buitenwijken. De urban sprawl, zoals het verschijnsel in de Verenigde Staten werd genoemd. Gottman had een vooruitziende blik, want momenteel woont verreweg het grootste deel van de Amerikaanse bevolking in ‘buitenwijken’. In andere landen is het trouwens niet anders.

De megalopolis die Gottman op het oog had was BosWash, het verstedelijkte gebied aan de Amerikaanse oostkust tussen Boston en Washington, DC, inclusief steden als New York, Philadelphia en Baltimore. Een strook van zo’n 750 kilometer lang met een bevolkingsaantal van bijna vijftig miljoen; omstreeks 15% van de totale Amerikaanse bevolking op 5% van het grondoppervlak. Het hek was van de dam, want binnen de kortste keren bleken er nog tal van andere megalopolissen te kunnen worden onderscheiden: ChiPitts, het gebied tussen Pittsburgh en Chicago, de Quebec City-Windsor Corridor en het gebied rond Los Angeles en San Diego in Californië. Ook buiten de Verenigde Staten en Canada werden zulke conglomeraties ontdekt. In Nederland maakte de Randstad Holland furore. Maar wie de situatie een beetje tot zich laat doordringen, beseft dat er van ‘steden’ als zodanig nauwelijks sprake is, het gaat om min of meer onbegrensde, geografisch-statistische complexen. Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Utrecht mogen deel uitmaken van zo’n complex, maar ze hebben een verschillende economische, historische en sociale achtergrond en—afhankelijk van hoe je het begrip stad omschrijft—misschien zelfs een eigen, betrekkelijk unieke identiteit. Het stedelijke bestaan zoals stadbewoners dat ervaren, is vermoedelijk volstrekt verschillend van de constructies die planologen, juristen, politici en ambtenaren achter hun laptop verzinnen.

 

 

De grootste metropolen hebben volgens Hemel tal van voordelen. Het gaat om wereldwonderen. Ze zijn duurzaam omdat wegen, infrastructuur en voorzieningen het beste worden gebruikt: hun ecologische voetafdruk is per inwoner veruit de kleinste. Misschien heeft hij in theorie gelijk, maar zolang we niet weten welke steden hij concreet op het oog heeft, valt er weinig verstandigs over te zeggen. Bij voorbeeld: is ‘metropool’ hetzelfde als ‘megalopool’? Is Londen, als grote miljoenenstad, van dezelfde orde als de Taiheiyo Gordel rond Tokyo? De noodzaak tot nadere specificatie doet zich vooral voelen als Hemel iets onder de oppervlakte komt van de geografische kenmerken. Professor de Zeeuw is allang afgehaakt.

De allergrootste megasteden vind je volgens Hemel in India, maar deze zijn volgens hem minder aantrekkelijk dan Chinese steden. Waarom? Tweehonderd miljoen Indiërs wonen volgens Hemel in sloppenwijken, er dreigt mislukking. Van wat precies? Geen antwoord. Bovendien leeft de bevolking in een gespannen toestand vanwege de religieuze tegenstellingen tussen hindoes en moslims en het dichtbevolkte karakter van de sloppenwijken. Licht uitgedrukt, lijkt me. Nog groter probleem: er zou zich geen middenklasse kunnen vormen. De Indiase stedelijke middenklasse is in ieder geval wat omvang betreft de allergrootste van de wereld. Toch? Waar haalt Hemel het vandaan? Wat hebben de sloppenwijken met megasteden te maken? De middenklasse? Religieuze spanningen? Bestaat er een verband met bevolkingsomvang en -dichtheid? Spelen genoemde spanningen en problemen zich alleen in India af? Raadsels.

Afgaande op mijn eigen kennis van ‘megastad’ Bombay (tegenwoordig is het politiek correct om Mumbai te zeggen) zou ik de problematiek iets anders formuleren, maar dan beschouw ik de situatie vanuit het gezichtspunt van de bewoners. Wie in een sloppenwijk woont, zoals Dharavi—de grootste sloppenwijk van Azië—heeft een dak boven zijn hoofd en voldoende inkomsten om daarvoor te kunnen betalen. De bevolking van zo’n wijk is overigens bepaald niet uniform, naast tal van handelaars wonen er grote groepen welgestelde ambachtslieden die voor geen geld ter wereld uit hun wijk zouden willen vertrekken: de pottenbakkers vormen een goed voorbeeld, net als de leerlooiers en eigenaren van textielateliers. De sloppenwijk is een onmisbare schakel in de stedelijke economie en draagt bij aan de prominente positie van Bombay in het hele stedelijke netwerk van India. Hemel zou zich denkelijk meer zorgen moeten maken over de ‘andere helft’ van de bevolking, het deel dat niemand ziet: niet de gevestigde sloppenbewoners, maar de vele miljoenen immigranten die hun leven moeten doorbrengen onder de blote hemel, op straat; ongezond, onveilig, slachtoffers van uitbuiting en criminaliteit, meedogenloos opgejaagd door de particuliere bewakers en politie.

 

 

India is een land van het soort tegenstellingen waar weinig mensen in de gezapige, Westerse wereld zich een voorstelling van kunnen maken. Niet alleen op religieus gebied, maar ook als het gaat om arm en rijk, man en vrouw, geschoold en ongeschoold, ‘raakbaar’ en ‘onaanraakbaar’. Wat in India tot mislukken is gedoemd, zijn niet de megasteden—Delhi, Bombay, Kolkata—zoals Hemel lijkt te suggereren. Integendeel, juist dankzij zulke steden zal het land overleven.

 

illustraties
Megapolis; bron: www.megapolis.co.in
Uit Fritz Lang’s Metropolis; bron: www.printerest.com
De spoorlijn komt van het spelletje Megapolis.