Gustave Flaubert schreef zijn Madame Bovary zo’n honderdzestig jaar geleden, het boek heeft nog weinig aan zeggingskracht verloren. Niet omdat de problematiek van een ongelukkige doktersvrouw uit de provincie klemmend actueel is, denk ik. Wie kan zich vandaag de dag nog in haar situatie verplaatsen? De praktijk wijst uit dat haar soort frustratie over het huwelijk – een wat suffige echtgenoot die geen idee heeft van romantiek of passie – eenvoudig is op te lossen met een echtscheiding. Maar bovendien is de tolerantie voor overspelige relaties aanzienlijk toegenomen en je hoeft ook niet langer dag en nacht in het keurslijf van sociale controle gevangen te zitten met de transportmogelijkheden die ons tegenwoordig ter beschikking staan. Madame Bovary moest een soort postkoets (de ‘Zwaluw’) nemen als ze naar Rouen wilde om haar minnaar te zien, even opbellen of e-mailen was er niet bij.

Ik las de roman op de middelbare school, het stond op mijn lijst van eindexamenliteratuur voor Frans. Sindsdien heb ik het boek nooit meer gezien, maar onlangs kwam het me weer onder ogen. In de terecht alomgeprezen vertaling van Hans van Pinxteren. Toen ik begon te lezen, kroop de twijfel naar binnen. Heb ik het destijds wel echt gelezen? Alleen al uit de vertaling kun je afleiden, dat het voor een Nederlandse schooljongen een bijna onmogelijke opgave moet zijn geweest om de tekst op de voet te volgen – hoe kan ik ooit hebben beschikt over de rijke vocabulaire die Flaubert gebruikt bij zijn beschrijving van interieurs, routes of landschappen? Om maar te zwijgen over de zielenroerselen van een ongelukkige vrouw op zoek naar liefde en warmte. Een vriendin suggereerde me dat ik waarschijnlijk een speciale schooluitgave gelezen heb, toegesneden op het middelbare onderwijs. Dat zal wel moeten, al kan ik het me niet meer herinneren.

Wat me fascineert aan Madame Bovary is niet de ‘herkenbaarheid’. Misschien juist integendeel, ik ben me steeds bewust van de enorme verschillen tussen toen en nu –de onderwerpen van het boek zijn in bijna ieder denkbaar opzicht hopeloos gedateerd. De ‘wetenschappelijke vragen’ waar apotheker Homais – de buurman van het echtpaar Bovary – mee worstelt, bij voorbeeld, zijn volstrekt absurd. Waren dat vermoedelijk destijds al, de ironie van Flaubert is soms dodelijk. Desondanks is de apotheker een aanbiddelijk personage in de roman, ook door zijn amusante discussies met priester Bournisien over geloofskwesties. Wat me overigens professioneel aanspreekt is Madame Bovary’s vurige verlangen naar de opwinding van de stad, een bekend thema in negentiende eeuwse romans – Becky Sharp in Vanity Fair is het prototype, een jaar of tien eerder verschenen dan Madame Bovary.

Zij kocht een plattegrond van Parijs en maakte met haar vinger over de kaart wandelingen door de hoofdstad. Zij liep de boulevards op en stopte bij elke hoek, tussen de lijnen van de zijstraten en voor de witte vierkanten die huizen voorstellen. Ten slotte werden haar ogen moe, zij sloot ze en zag in het donker de gaslantaarns flakkeren in de wind, terwijl de treeplanken van de rijtuigen met geraas werden uitgeklapt voor de ingang van de theaters.

Het verlangen tekent Emma Bovary ten voeten uit, zoals het ook Becky Sharp deed. Voer voor stadssociologen en historici. Juist doordat Flaubert zijn figuren in een gelaagde, complexe context zet, maakt hij ze levensecht, overtuigend. Hij nodigt je uit om kennis te nemen van een wereld die weliswaar veraf is, maar geloofwaardig, ‘echt’. Een kwestie van stijl, Flaubert is een onderhoudende verhalenverteller, maar vooral ook een weergaloze stylist. Mijn boek valt open bij een simpele ontmoeting tussen Homais en de waardin, Mevrouw Lefrancois.

(De apotheker…) droeg een zwarte jas, een nanking pantalon, schoenen van bevervilt en, voor deze bijzondere gelegenheid, een hoed – een laag model hoed. ‘Dag mevrouw’, zei hij, ‘neemt u mij niet kwalijk, ik heb haast’. En toen de dikke weduwe hem vroeg waar hij dan naartoe ging (hij is op weg naar een landbouwcongres): ‘Dat vindt u misschien vreemd van mij, nietwaar? Omdat ik altijd in mijn laboratorium zit weggedoken, meer dan de rat in zijn kaas’.

‘Welke kaas?’ vroeg de waardin.

‘Ach, niets, laat u maar!’ sprak Homais verder. ‘Ik wilde alleen maar zeggen, mevrouw Lefrancois, dat ik mij gewoonlijk thuis opsluit. Vandaag echter, gezien de omstandigheden, dien ik….’

‘O, gaat u daarheen?’ vroeg ze laatdunkend.

Een uitwisseling van niets, maar met een paar zinnetjes worden personen neergezet, hun uiterlijk, hun onderlinge relatie, de situatie waarin ze verkeren. Flaubert is een antropoloog, aan de hand van alledaagse situaties en gebeurtenissen voert hij je een gemeenschap binnen die je grondig leert kennen. Hij maakt je nieuwsgierig naar de achtergronden en de ontwikkelingen, hij laat je meekijken naar vreugde en verdriet. Je voelt het tot in je botten. De apotheker en de waardin horen bij een wereld die allang niet meer bestaat, maar je hebt het idee dat je ze goed kent, dat ze familie van je zijn. Dat geldt in nog hogere mate voor Emma Bovary en haar Charles. Overigens worden ze daarmee niet noodzakelijkerwijs sympathiek of begeerlijk; ik zou het net als Emma met Charles geen vijf minuten uithouden, maar dat geldt wat mij betreft ook voor Emma, hoe hartstochtelijk ze dan ook mag zijn.

Tot de context hoort ook de gedetailleerde uiteenzetting over wat Emma zoal leest om haar geest te verzetten. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw neemt het lezen van romans sterk toe in Europa en de Verenigde Staten en de belangrijkste lezers zijn vrouwen uit de betere klassen die, zoals Emma, het persoonlijke leven en de privésfeer cultiveren. Daartoe hoort ook de kamermuziek, Emma speelt piano en is bekend met Schubert en Schumann. Een van haar favoriete schrijvers is Sir Walter Scott, ondanks het feit dat haar omgeving nogal sceptisch staat tegenover zulke ‘lichtzinnige’ lectuur. The Bride of Lammermoor kende ze op haar duimpje.

Een hoogtepunt in het verhaal – maar ook in het leven van Emma Bovary – is het bezoek aan de opera in Rouen. Apotheker Homais heeft Charles geattendeerd op het optreden van de beroemde tenor Lagardy, hij acht een avondje uit een uitstekende afleiding voor de kwakkelende Emma. Lagardy – door Flaubert afgeschilderd als een potsierlijke ijdeltuit met een gouden stem – treedt op in Lucia di Lammermoor. De opera is in 1835 geschreven door Gaetano Donizetti, en bestaat dus net twintig jaar als Emma hem ziet. Het libretto is gebaseerd op … Emma’s lievelingsboek van Walter Scott. Lagardy vertolkt Edgardo, de minnaar van Lucia – Emma, die zich hevig met Lucia identificeert, valt als een blok voor hem. Je kunt de opera op de voet volgen in Flaubert’s beschrijving: voornamelijk aan de hand van Emma’s beleving, de verwijzingen naar het toneel zijn summier.

De stem van de zangeres scheen haar slechts de weerklank van haar eigen innerlijk, en deze fictie hield haar in de ban alsof het iets van haar eigen leven was. Maar niemand ter wereld had zó van haar gehouden. De hare (bedoeld wordt haar minnaar, LB) had niet gehuild zoals Edgar, toen zij die laatste avond bij het schijnsel van de maan tegen elkaar zeiden: ‘Tot morgen, tot morgen …!’

Ik ken geen andere beschrijving uit die periode waarbij iemands ‘kijk- en luisterervaring’ zo indringend tentoon wordt gespreid. We weten dat het theater voor leden van de welgestelde klasse een populaire bestemming was, men ging erheen voor de muziek, het toneel of om elkaar te zien en te ontmoeten, maar hoe uitvoeringen ervaren werden, wat ‘gewone’ mensen erbij voelden? We weten er niets van. Flaubert haalt ook een kunststuk uit door een opera te gebruiken die in zijn kringen alom bekend was, gebaseerd op een boek dat velen hadden gelezen. De auteur is ‘realist’ tot in de puntjes, menige schrijver zou zélf iets toepasselijks hebben verzonnen.

Donizetti, die niet ouder geworden is dan ongeveer 50 jaar, heeft in totaal tientallen opera’s geschreven, hij componeerde zo snel als zijn librettisten konden schrijven. Lucia is samen met een handvol andere altijd op het repertoire gebleven – de rest is onder het stof terechtgekomen. De opera was vanaf het begin buitengewoon populair, niet alleen in Italië, ook in andere operalanden: Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk – dit ondanks de zure ontvangst door de toonaangevende muziekrecensenten. Flaubert noemt de onvergetelijke momenten uitdrukkelijk: vooral het eerste optreden van Edgardo met op de achtergrond de contrabassen en daarna het imponerende sextet.

Allen stonden naast elkaar te gesticuleren; en woede, wraakzucht, afgunst, schrik, medelijden en verbijstering klonken gelijktijdig uit hun geopende monden. De beledigde minnaar zwaaide met getrokken degen (…) Zijn liefde moest, dacht Emma, wel onuitputtelijk zijn, dat hij die in zulke stromen over het publiek uitgoot. Al haar lust tot geringschatting verdween, geboeid als zij werd door zijn dichterlijke vertolking…

In de pauze volgt de onverwachte ontmoeting met Emma’s vroegere bewonderaar Léon en dan is haar aandacht voor de opera en het avondje theater opeens helemaal weg – Léon stelt voor ijs te gaan eten en de voorstelling te verlaten en als Charles zich daar niet tegen had verzet zou het inderdaad zo gebeurd zijn. Nu vertrekken ze na Lucia’s waanzinaria.

Waarom deze ingreep van Flaubert? De waanzinscène, volgens velen de climax van het werk, gaat aan Emma voorbij (‘… de aria kon Emma helemaal niet boeien en het spel van de zangeres deed haar overdreven aan. “Zij schreeuwt te hard”, zei ze tegen Charles die zat te luisteren. “Ja … misschien wel een beetje”), en voordat Lagardy aan zijn laatste optreden kan beginnen vertrekken Emma, Charles en Léon. In het verhaal van de opera komt eerst Lucia aan haar eind, op het laatst ook haar minnaar Edgardo. Emma weet dat, ze kent de roman. Vindt ze echt dat de zangeres te hard schreeuwt? Je kunt het je nauwelijks voorstellen, maar het kan, zangers en zangeressen zijn in staat om van de mooiste muziek modder te maken. Is Emma bang dat de treurige afloop ook háár lot zal zijn? Te psychologiserend. Je zou aan nóg meer psychologiserende invalshoeken kunnen denken: is Emma’s belangstelling voor kunst oppervlakkig, is ze niet veel meer dan een hunkerende bakvis op zoek naar seks en avontuurtjes?

Flaubert moet een ander motief hebben gehad voor deze wending. Ik las ergens dat hij op deze manier de weg effende voor de rentree van Léon in het verhaal. Hmmm, Flaubert had dat ook op een andere manier kunnen doen. Zo pieker ik maar door. Sinds ik het boek opnieuw gelezen heb, loop ik rond met deze kwestie. Het spijt me, ik heb geen antwoord. Verdere studie is geboden!

 

 

illustraties:
Gustave Flaubert gezien door Eugène Giraud; bron: it.wikipedia.org
Gaetano Donizetti gezien door Roberto Focosi; bron: www.ricordicompany.com