De directie van het Verwey-Jonker Instituut heeft gesproken: Niet de cultuur uit het land van herkomst maakt migrantenjongeren vaker crimineel, het is de migrantenstatus zelf. Ik las de uitspraak die als lead werd gebruikt bij een vraaggesprek in de krant (NRC Handelsblad, 20 september 2016). Daar kijk je van op in een land als Nederland, waar alle narigheid en ellende wordt toegeschreven aan Marokkaanse of Turkse jeugd in Amsterdam-West en, sinds kort, Rotterdam of Zaandam. De schrijfster van het artikel leidde haar stuk als volgt in: Het is zo vaak herhaald dat het een feit lijkt: jongeren met een Antilliaanse, Turkse of vooral een Marokkaanse achtergrond zijn boefjes. Ze plegen meer delicten dan jongeren zonder migrantenachtergrond. De verklaring werd gezocht in de ‘herkomstcultuur’ van de betrokkenen, de afwezige Antilliaanse vaders of de gezagscrisis in Marokkaanse gezinnen. De directeur van het genoemde instituut stelt vast dat er niets van klopt en deze bewering zou worden gesteund door een grootschalig onderzoek waaraan maar liefst 70.000 jongeren uit enkele tientallen landen hebben meegedaan. Er blijkt geen verschil in criminaliteit tussen migrantengroepen, of ze nu uit Noord-Afrika, het Caribisch gebied of Oost-Europa afkomstig zijn.

 

 

Ik kijk niet zozeer op van de onderzoeksresultaten als wel van de manier waarop deze worden gepresenteerd. Over de criminaliteit van migranten zijn bibliotheken volgeschreven, het onderzoek op dit terrein behoort tot de langste tradities in de sociologie en criminologie en nu komt het Verwey-Jonker Instituut pardoes aanzetten met een gloednieuw inzicht dat onmiddellijk gevolgen zou moeten hebben voor ‘de aanpak van jeugdcriminaliteit’. Toe maar.

De bakermat van het migrantenonderzoek is ongetwijfeld het befaamde instituut voor Social Research van de Universiteit van Chicago. Aan het begin van de vorige eeuw presenteerden daar William Isaac Thomas en Florian Znaniecki hun baanbrekende studie van de Poolse kleine landbouwers die het verarmde Poolse platteland waren ontvlucht om een nieuw leven op te bouwen in Amerika, het beloofde land (The Polish Peasant in Europe and America). Maar de aanpassing van de landverhuizers verliep moeizaam en ging met hevige conflicten gepaard. Thomas en Znaniecki spraken over een proces van sociale desorganisatie. In de stad houden de normen en waarden van de kleine dorpssamenleving geen stand, de geijkte vormen van sociale controle en sociale solidariteit verliezen hun effectiviteit in het dynamische stadsleven, tal van ‘ongewenste’ verschijnselen doen hun intrede: criminaliteit, echtscheiding, geloofsafval, dronkenschap, drugsverslaving, jeugdmisdaad, zedeloosheid, armoede. De migrantengroepen hebben er geen antwoord op.

Frank Bovenkerk schrijft in zijn schitterende studie over Marokkaanse criminaliteit (Marokkaan in Europa, crimineel in Nederland) dat de onderzoekers van de ‘Chicago School’ wel degelijk oog hadden voor verschillen tussen etnische groepen, maar deze werden niet toegeschreven aan de culturen in de landen van herkomst—de herkomstcultuur van NRC Handelsblad—maar aan algemene processen in de Amerikaanse samenleving, en met name aan wat zij beschouwden als de stedelijke ecologie. Wat zich op het eerste gezicht voordeed als een etnischspecifiek probleem van criminaliteit, was in feite een probleem dat typerend was voor de buurt waarin nieuw gearriveerde immigranten zich vestigden. Volgens Bovenkerk is dit gezichtspunt inmiddels lang en breed mainstream criminologie—het geeft te denken over de wetenschappelijke capaciteiten van het Verwey-Jonker Instituut, kun je dat volk eigenlijk wel zo’n grootschalig onderzoek toevertrouwen?

Een klassieke beschrijving van de immigrantenbuurt is te vinden in een van de hoogtepunten uit de Chicago-traditie: The Gold Coast and the Slum van Harvey Warren Zorbaugh, oorspronkelijk verschenen in 1929. Het bestaan van de buurt (Zorbaugh gebruikt het woord slum, waarvoor in het Nederlands in feite geen geschikte vertaling bestaat) vindt vrijwel geheel buiten de conventionele wereld plaats. De enige contacten met de buitenwereld lopen via de Amerikaanse rechtspraak en de ambtenaren van Sociale Zaken. De bijstand wordt beschouwd als een soort legitieme corruptie waarmee je je inkomsten aanzienlijk kunt verhogen en de ‘wet’, in de persoon van de ‘smeris’, wordt gezien als een vreemde overheerser, de natuurlijke vijand. De betere buurten in de stad zijn voor de buurtbewoners net zo vreemd als de continenten die zich aan de andere kant van de Atlantische Oceaan bevinden.

 

 

Een ‘normale buurt’ fungeert als een vangnet voor bewoners die in de problemen komen en in een ‘normaal gezin’ gebeurt hetzelfde, maar in de immigrantenbuurten werkt het niet op die manier. Over een groot gebied, aldus nog steeds Zorbaugh, bestaat niets wat op een ‘gemeenschap’ lijkt. De personen en gezinnen die hier wonen, zijn geïsoleerd omdat ze zich elders niet staande hebben weten te houden, om welke reden dan ook. Veel van de gezinnen zijn uiteen gevallen, andere kunnen niet naar behoren functioneren. Mede door de beroerde huisvesting en de sterke mobiliteit wordt verhinderd dat zich gezinswaarden ontwikkelen waarbij mensen zich thuisvoelen. Maar de tweede generatie kan zich niet langer van de rest van de samenleving afschermen: de kinderen die in Amerika geboren zijn, moeten naar school en worden op allerlei manieren geconfronteerd met de Amerikaanse cultuur. Ze leven in twee van elkaar onderscheiden werelden en daardoor ontstaan culturele conflicten, als gevolg van vage onlustgevoelens of door gedragsproblemen. Vader en moeder hebben geen idee hoe ze zulke problemen moeten interpreteren of opvangen.

Zorbaugh laat zien dat bendevorming en crimineel gedrag ‘rationele’ vormen van aanpassing zijn aan deze verwarrende, conflictvolle situatie. De oorspronkelijke landverhuizers hebben gefaald. This failure is especially characteristic of the foreign family  and community, which economic necessity has segregated in the slum, zegt Zorbaugh, hence it is that the slum, particularly the foreign slum, is gangland. For gangland is but the result of the boy’s creation of a social world in which he can live and find satisfaction for his wishes.

Het staat er mooi op, het is klaar als een klontje. Jeugdbendes zijn misschien wel het meest bestudeerde onderwerp in de Amerikaanse sociologie, zeker in de eerste helft van de vorige eeuw. Frederic Thrasher’s The Gang is een voorbeeld uit vele: A Study of 1313 Gangs in Chicago; Clifford Shaw’s The Jack-Roller en zijn Juvenile Delinquency and Urban Areas; Gerald Suttles’ The Social Order of the Slum en verreweg de beroemdste: William Foote Whtyte’s Street Corner Society. We moeten een zucht van verlichting slaken: na zo’n honderd jaar zijn de achtergronden van migrantencriminaliteit ook bij sommigen in Nederland doorgedrongen.

 

illustraties
handboeien; bron: gelderlander.nl
jongens; bron: flabber.nl
Ernest W. Burgess voor de plattegond van Chicago; bron: news.lib.uchicago.edu