Frits Abrahams sprak, denk ik, de verstandigste woorden over de recente, zoveelste rel die door PVV-leider Wilders werd veroorzaakt. Hij verbaasde zich over de ‘plotselinge verontwaardiging’ (NRC Handelsblad, 21 maart 2014). Abrahams: ‘Van Fortuyn naar Wilders loopt een rode lijn van voortdurende stigmatisering van hele bevolkingsgroepen. Te veel invloedrijke mensen hebben op die lijn meegehuppeld, niet zozeer uit overtuiging als wel uit opportunisme en lafheid. Nu komt zelfs onze premier achteraf tot de ontdekking dat de smaak in zijn mond vies was geweest. Waarom niet eerder zijn tanden gepoetst?’

Zo is het maar net.

 

 

 

 

Als je het niet op verkiezingsavond had gezien, heb je het gemis ruimschoots kunnen inhalen, want alle Nederlandse media stonden de afgelopen dagen bol van verontwaardiging over het staaltje volksmennerij dat Wilders in Den Haag ten beste gaf. Met wat stompzinnig grinnikende medestanders jutte hij een zaaltje volgelingen op om hun instemming te betuigen met zijn voorstel om de stad Den Haag van haar Marokkanse inwoners te bevrijden. Een stap te ver, blijkbaar, want plotseling viel iedereen over elkaar heen om zijn afkeuring kenbaar te maken, zelfs inderdaad lachebekje Rutte. In de krant stonden berichten over het leegstromen van de PVV en werd gespeculeerd over plannen om een cordon sanitaire om het overgebleven boevengroepje PVV-ers heen te spannen.

De opwinding deed me denken aan wat er na 20 april 1968 gebeurde in het Verenigd Koninkrijk. De Minister van Defensie uit het Conservatieve schaduwkabinet van Edward Heath — de geachte afgevaardigde Enoch Powell — hield een voordracht voor een studieclub van zijn partij in Birmingham. Dit naar aanleiding van de op handen zijnde Race Relations Bill van de regerende Labour Party. Tv-zender ATV was ter plaatse en nam gedeelten van de Birmingham Speech op. Powell keerde zich fel tegen de mogelijkheid dat Groot Brittanië zou volraken met immigranten uit alle delen van de wereld. Hij signaleerde een ‘volstrekte transformatie’ van de natie, een proces dat zijn weerga niet kende in duizend jaar Britse geschiedenis. Hij vertelde over een van zijn kiezers die had gezegd: ‘Als ik het geld zou hebben, stuurde ik al mijn kinderen naar het buitenland, want het is afgelopen voor ze; over een jaar of twintig spelen zwarten hier de baas’. Het meeste indruk maakte Powell met een citaat uit Virgilius: ‘Als ik vooruit kijk wordt het me bang te moede. Net als de Romein verbeeld ik me dat ik de Tiber-rivier zie, schuimend met bloed’.

 

 

 

 

 

 

Powell werd meteen afgedankt als schaduwminister, een groot deel van de Conservatieve Partijtop (maar niet Margaret Thatcher) keerde zich van hem af. In feite was het voorgoed gedaan met zijn politieke loopbaan, hoewel hij wel degelijk ook een golf van steun en sympathie kreeg — dokwerkers gingen tegen zijn ontslag in staking en uit landelijk opinieonderzoek bleek dat zo’n tachtig procent van de ondervraagden op zijn hand was. Persoonlijk ontving hij veertigduizend brieven van medestanders, achthonderd van tegenstanders. Zijn toespraak werd gekwalificeerd als racistisch en zou hebben uitgelokt tot vreemdelingenhaat.

Nu het stof neergedwarreld is, kun je zien dat het allemaal wel meeviel. Van onvervalst racisme was bij Powell geen sprake, als je daaronder tenminste de ideologie verstaat dat bepaalde rassen inherent inferieur zijn en anders behandeld moeten worden. Het was toch eerder de noodkreet van een verontruste burger. Enoch Powell was geen patjepeeër van PVV-gehalte, maar een linguist, oud-leraar Grieks en een buitengewoon getalenteerd debater. Zijn toespraak was weliswaar gekruid met demagogische voorbeelden, maar maakte vooral de indruk van een intellectueel betoog. Het verschil met de Nederlandse parlementariër Wilders is groot: die stond als Prins Carnaval in een rokerig zaaltje platte teksten uit  te slaan; geen nuance, geen betoog, ordinair straatgejoel. Bruinhemden.

Zo krijgt uiteindelijk ieder land het racisme dat het verdient.