Toen ik een dag of wat geleden mijn exemplaar van Moby Dick uit de boekenkast trok, zag ik er een paar knipsels inzitten. Een oude gewoonte: je leest iets interessants en je bewaart het op de relevante plek. Ik had uit de Washington Post een recensie bewaard van Hershel Parker’s biografie: Herman Melville: A Biography – deel II, bijna duizend pagina’s, uit 2002. Melville hoort tot de absolute top van de klassieke Amerikaanse literatuur, maar heeft dat zelf nooit ondervonden. De laatste decennia van zijn leven waren treurig. Hij werd vergeten als schrijver, zijn schoonfamilie wilde hem krankzinnig laten verklaren en er werden serieuze pogingen ondernomen om een echtscheiding te forceren. Zijn oudste zoon pleegde zelfmoord en ondanks verwoede pogingen lukte het hem niet om een post te krijgen als Amerikaans consul ergens in het gebied van de Stille Zuidzee of, desnoods, Europa.

Een ander knipsel dateert van 2008 en is afkomstig van NRC Handelsblad (14 maart): een recensie van een nieuwe Nederlandse vertaling van Moby Dick door Barber van de Pol. De recensie is geschreven door Charlotte Mutsaers, blijkbaar uit de periode dat de boekenredactie van de krant nog wel eens een beroep deed op competente en terzake kundige medewerkers. Mutsaers is een liefhebber van Melville en houdt zelfs van Moby Dick, ondanks de bloederigheid van de walvisjacht die haar als dierenvriend zwaar tegen de borst stuit. ‘Mag het boek ook op de toptien voor de direnliefhebber?’, vraagt de recensent. ‘Dat lijkt me stug voor een boek dat drijft van het walvisbloed. Aan de andere kant, het heeft een zeer diervriendelijk happy end. Moby Dick ramt het hele schip in stukken zodat alle beulen worden meegesleurd door de eeuwig golvende lijkwade van de zee’.

 

De vertaling van Van de Pol was al de vierde en Mutsaers stelt de centrale vraag: was dit nodig? Er is een vertaling uit 1929 van Werumeus Buning, een uit 1945 van een onbekende vertaler, een uit 1961 van Emy Giphart en nu dus ook die uit 2008 van Van de Pol. Mutsaers: ‘Als er reeds een of meer uitstekende vertalingen bestaan, waarom dan zoveel geld, tijd en energie verspild aan alweer een versie? Of verschaft een eigentijdse vertaling meer prestige? Of moet ik dit zien als een luxe vorm van herwaardering? Of moeten de subsidiegelden nu eenmaal worden verdeeld?’. De recensent stelt vast dat ze nooit een behoorlijk antwoord op deze en zulke vragen heeft gehad. Overigens is ze bijzonder te spreken over de vertaling van Barber van de Pol, maar ook over die van Giphart en ‘kleine fouten en vergissingen komen in iedere vertaling voor’. Het enige criterium voor een nieuwe vertaling zou moeten zijn: als een vertaling aantoonbaar rammelt en als er aan de stijl van het origineel geen recht wordt gedaan.

Bij de recensie worden vijf stukjes afgedrukt: een deel van de allereerste alinea uit Moby Dick, eerst het origineel, daarna de vier vertalingen. Het eerste hoofdstuk heet Loomings en daar begint het al: alle vier de vertalingen zijn verschillend – Wat er opdoemt, Vage verten, Droombeelden en Iets in zicht. Cruciaal is natuurlijk de beroemde eerste zin – Call me Ishmael – en je bent geneigd te denken dat het succes van de vertaling daar vooral van afhangt. Mutsaers is not amused door de oplossing van Van de Pol: Noem me Ismaël. Van de ‘klaroenstoot’, zegt ze, blijft weinig over. ‘”Mij” in plaats van “me” had misschien nog iets van de muzikaliteit kunnen redden (…) Twee m-en achter elkaar levert machteloos gemurmel op’. Ik heb zelf, net als iedereen die het boek ooit gelezen heeft, honderden keren over een vertaling gedacht. Noem mij maar Ishmael, daar houd ik het altijd op – in het volle besef dat de ideale vertaling op zich laat wachten. Het gemurmel van ‘me’ en de twee m-en is ondervangen, dat wél. De andere vertalers wijken niet veel af. Giphart heeft precies dezelfde zin als Van de Pol, Weremeus Buning heeft ‘mij’ in plaats van ‘me’, de onbekende vertaler heeft: Mijn naam is Ishmael, bij voorbeeld. Erg lelijk, vind ik, al begrijp ik de redenering die er ongetwijfeld aan ten grondslag heeft gelegen.

Er zijn mensen die vertalen een ‘makkie’ vinden, iets voor tussendoor. Het karige vertalersloon is daar een afspiegeling van. Zelfs aan de simpele voorbeelden uit Moby Dick kun je zien wat een onzin dat is.