Simon Kuper schrijft columns in Financial Times. Ik lees hem graag, hij verdiept zich in een ruim assortiment van onderwerpen zonder onzin te verkopen, maar ook zonder zijn lichtheid van toon te verliezen; geen gewichtigdoenerij; erudiet, en vaak geestig. Hij weet veel van voetbal, in het bijzonder van het Nederlandse voetbal. Dat heeft hij overgehouden uit zijn jeugd in Nederland, toen Ajax nog een club was om rekening mee te houden. Kuper bewonderde het rusteloze aanvalsspel, de beheersing van de ruimte, de inzet van snelle buitenspelers. In het kader van het komende Wereld Kampioenschap voetbal in Brazilië werd hij onlangs geïnterviewd door een Nederlandse krant – zijn boodschap was ontnuchterend: het Nederlandse voetbal heeft de aansluiting bij de top verloren. Het spel is te statisch en wordt uitgevoerd door voetballers met onvoldoende technische kwaliteiten, die bovendien niet hard genoeg zijn. Iedereen met talent speelt in het buitenland. Het lijkt wel of het plezier uit het Nederlandse voetbal verdwenen is.

Kuper schrijft niet alleen columns, maar soms ook langere stukken, gebaseerd op eigen onderzoek. Ik herinner me een prachtstuk over de successen van de Engelse club Manchester City, dit jaar voor de tweede keer in korte tijd kampioen van de Premier League geworden. Het ging over de perfecte begeleiding van de spelers (vrijwel allemaal buitenlanders) en de wetenschappelijke analyses van de gespeelde wedstrijden die tot betere inzichten in de dynamiek van het elftal leiden: hoe stel je je op bij corners? wie moet ze nemen? hoe sluit je de tegenstander in? Manchester City heeft het afgelopen seizoen in eigen huis een grote reeks overweldigende overwinningen geboekt.

De auteur is telg uit een antropologengeslacht. Zijn vader (Adam) was Afrikanist en werkte geruime tijd aan de Universiteit van Leiden bij het Afrika Studiecentrum, waar ik hem verschillende keren ontmoette bij congressen en andere gelegenheden. Van zijn moeder herinner ik me een antropologisch kookboek: gerechten uit de vele landen waar antropologen langdurig onderzoek hadden gedaan. Maar ook de grootmoeder van Simon Kuper was antropoloog: Hilda Kuper. Zij studeerde nog bij de beroemde Bronislaw Malinowski aan de London School of Economics en werd bekend door haar werk bij de Swazi in Zuid-Afrika. Haar dissertatie: An African Aristocracy, was verplichte literatuur voor iedereen die zich met Afrika bezighield – ik deed als bijvak de ‘Verstedelijking in West Afrika’ en kwam haar werk regelmatig tegen. Haar echtgenoot, Leo Kuper, was filosoof en werd bekend door zijn werk over mensenrechten in Zuid-Afrika en zijn studie van genocide. Zo’n achtergrond verhoudt zich volgens sommigen misschien slecht met een belangstelling voor het ordinaire voetbal, maar wat mij bij Simon Kuper’s stukken altijd treft is zijn vermogen om dieper door te dringen in zijn onderwerpen dan je van de meeste journalisten gewend bent. Met een zeker vakchauvinisme denk ik dan: hij heeft antropologenbloed in de aderen; dat kan nooit slecht zijn.

Een week of wat geleden schreef hij over Amsterdam en dat was net zo ontnuchterend als zijn gedachten over het Nederlandse voetbal — overigens signaleert de auteur geen verband tussen beide verschijnselen. Amsterdam bevindt zich, net als andere grote steden (waarbij ‘groot’ niet gelijkstaat aan inwonertal), in twee verschillende hiërarchieën: nationaal en internationaal. In nationaal opzicht is Amsterdam sinds de jaren tachtig, negentig sterk gegroeid. In de stad is alles op het gebied van cultuur en onderwijs en hoogwaardige werkgelegenheid te vinden, iedereen die enige ambitie heeft wil in de stad wonen. In verschillende opzichten is Amsterdam een typische global city geworden – een term afkomstig van de geografe Saskia Sassen. Ze bedoelt er de sterke concentratie van hoofdkantoren van internationaal georiënteerde bedrijvigheid mee: in zo’n stad worden belangrijke beslissingen genomen die veel verder reiken dan de stad zélf. In global cities zie je een optimale verknoping van strategische bedrijven en instellingen: banken, advocatenkantoren, reclamebedrijven, filmindustrie, tv-studio’s, makelaars, verzekeringsmaatschappijen, transportondernemingen. Als ondernemer heb je alles bij de hand en om de hoek. Daar komt een goed opgeleide beroepsbevolking bij en in Amsterdam heb je verder nog een aantal bijkomende voordelen: veel mensen kunnen zich in het Engels redden, een grote luchthaven op loopafstand, een brede cultuursector op hoog niveau: musea, muziekinstellingen en een sterke concentratie van kunstenaars. Niet te vergeten: weliswaar misschien een wat mager en provinciaals winkelbestand maar veel uitstekende hotels en een bont palet van aantrekkelijke restaurants en café’s.

Vanaf het eind van de vorige eeuw zie je dat er in internationaal opzicht een schifting optreedt: onder de ongeveer honderd global cities in de wereld scheidt zich een bijzondere categorie af – Sassen spreekt van global capitals. Global cities, maar dan op een aanmerkelijk hoger niveau. De kwantiteit is zoveel groter, dat er een verschil in kwaliteit ontstaat. Hoe snel Amsterdam ook (nationaal) gegroeid is, steden als New York, Londen, Hong Kong, Shanghai zijn aanzienlijk sneller gegroeid en hebben een veel grotere uitstraling gekregen. De Nederlandse happy few willen zich dolgraag in de grachtengordel vestigen, maar wie werkelijk iets hoopt te bereiken trekt hogerop. Kuper ziet die beweging overal en alleen al uit zijn directe eigen omgeving — Londen, Parijs, Amsterdam — weet hij precies waarover hij spreekt. Londen zit vol met Nederlandse bankmensen die daar oneindig veel meer geld verdienen dan hun leeftijdsgenoten in Amsterdam ooit zullen doen, maar ook academici en zelfs journalisten zoeken hun heil elders. En wie zou er nog politicus of diplomaat willen worden in Nederland? Doodlopende straat. Met als gevolg dat ook studenten eieren voor hun geld kiezen: ze gaan in het buitenland studeren of bij een van de Engelstalige ‘colleges’ aan Nederlandse universiteiten, want, zoals Kuper zegt: ‘You can’t crack the global elite speaking Dutch English’.

Er zal zich een herschikking van elites voordoen en Amsterdam blijft achter. De diepe afkeer van de Haagse politiek voor alles wat naar kunst en cultuur ruikt, zal Amsterdam als nationaal artistiek en intellectueel centrum nog verder ondermijnen – de tekenen van achteruitgang en verval kunnen we we dagelijks om ons heen aanschouwen. Kuper ziet een backwater voor zich, die bewoond zal worden door een steeds machtelozer wordende nationale toplaag. Misschien nog wel een plek waar je op je dooie gemak ’s ochtends in een café van een krantje en kopje koffie kunt genieten. Maar alleen omdat er verder weinig op het spel staat.