De auteur Saskia De Coster schreef onlangs een stukje achterop NRC Handelsblad over de functionaris die voor de uitgeverij haar nieuwe roman corrigeert. De Coster is Vlaamse, maar alle Vlaamse woorden worden uit haar tekst gefilterd en de schrijfster heeft soms de indruk dat ik van een ander melkwegstelsel kom. Ze meent dat het Nederlands en Vlaams steeds verder uit elkaar drijven. Mijn nieuwe roman speelt zich af in een flatgebouw in een Europese grootstad, vervolgt de schrijfster, ieder personage dat dus geen gegronde reden heeft om Vlaams te spreken: geen genade, heraus.

Ze stelt, al dan niet met opzet, een belangrijk thema aan de orde. De Engelse schrijver en essayist Tim Parks heeft het tot zijn onderwerp gemaakt. In zijn laatste boek–Where I’m Reading From. The Changing World of Books—komt hij er steeds weer op terug. Er lijkt iets als een internationale boekentaal te ontstaan die ontdaan is van alle verwijzingen naar lokale omstandigheden. Gevolg van de mondialisering? Een sprekend voorbeeld is het verschil in de vertaling van boeken tussen nu en, zeg, dertig, veertig jaar geleden. Parks noemt onder andere het werk van de Engelse schrijfster Barbara Pym en de Vlaming Hugo Claus. Ze schreven boeken die zo diep geworteld waren in de gemeenschap waar ze uit voortkwamen, dat je ze bijna niet kon overzetten in een andere taal zonder uitvoerige toelichtingen en woordenlijsten. Het werk van hedendaagse Noorse of Duitse schrijvers is daarentegen bijna freischwebend: lokaliteit is een soort algemeen behang geworden, de wortels liggen vlak onder de oppervlakte. Parks zegt: Hoe intensief kan de literatuur ons blootstellen aan andere werelden als alles altijd maar wordt teruggebracht tot het geruststellende medium van onze eigen taal (exactly as we use it), met al onze eigen formules, dimensies, accenten en gewoonten?

‘Abigail laadt haar caddie vol met brikken melk en brol’, schreef De Coster in haar roman, maar dat moest veranderd worden in Abigail die haar rolwagentje (ik geloof trouwens dat die wagentjes in Amsterdam winkelwagentjes worden genoemd, LB) vol met kartonnen melk en rommel stouwt. Vijzen mocht niet, evenmin als palaveren of tateren. Zo wordt de eigen taal van Saskia de Coster ontdaan van alle vreemde smetten. Het deed me denken aan de periode dat ik redacteur was van een Nederlands vaktijdschrift voor de sociale wetenschappen. We kregen af en toe Belgische bijdragen toegestuurd—vaak mooie, interessante stukken over veranderingen in de Belgische samenleving. Maar menig redacteur was geneigd om de artikelen af te wijzen vanwege de taal. Eén woord kan ik me nog goed herinneren: het Vlaamse regentes voor de schone handwerken. Dat bleek gewoon een handwerkjuffrouw te zijn. Dat moest eruit. Wég charme!

Het is hier niet de plaats om uit te weiden over de relatieve verdiensten van het Vlaams en het Nederlands, maar de indruk die vaak gewekt wordt dat het Vlaams een primitief soort koeterwaals zou zijn, deel ik niet. Mij valt vaak de bloemrijkheid en de zorgvuldigheid van het taalgebruik op in Vlaanderen, ik hoor het ook bij de klassieke radiozender Klara of de nieuwsprogramma’s op tv-zender Canvas. De Vlaamse literatuur houdt het Nederlands vitaal en boeiend, ik kan nooit genoeg krijgen van dichters als Luuk Gruwez, Miriam Vanhee, Aleidis Dierick, Daniël van Ryssel en, om mijn lievelingsdichter niet te vergeten, Jan van Nijlen. Het beste Nederlands/Vlaamse proza van de afgelopen jaren is geschreven door Dimitri Verhulst en Tom Lanoye (Sprakeloos), om al die anderen niet tekort te doen. Als Nederlandse uitgeverijen daar een soort potjesnederlands van laten maken door beambten van de taalpolitie, ziet de toekomst er somber uit. Laten we hopen dat Saskia de Coster binnenkort zó succesvol is, dat niemand het meer waagt zich aan haar taal te vergrijpen. Tenzij ze het zelf wil, natuurlijk.

Maar of er kans is op een roman als Het verdriet van België of De Kapellekensbaan of de 1ste illegale roman van Boontje, mag je je met recht afvragen. Tim Parks vertelt over zijn boek Italian Ways. On and Off the Rails from Milan to Palermo dat in 2013 uitkwam bij Random House, New York. Je zou zeggen: het Engels en Amerikaans liggen ongeveer net zo dicht naast elkaar als het Vlaams en Nederlands, maar dat is een illusie. Het boek was geschreven in opdracht van de Amerikanen, Parks had gedacht dat het redigeren van de tekst een makkie zou worden. Vergeet het maar. Tientallen keren moest het Engelse woord carriage, treinwagon, vervangen worden door het Amerikaanse coach. De 17.25 trein van Milaan naar Verona moest veranderd worden in de 5.25 PM trein Milaan-Verona. ‘Vijftig cent’ diende ‘vijtig eurocent’ te worden (stel je voor dat de Amerikanen zouden denken dat je in Europa met dollarcenten kan betalen!). Parks had alle afstanden in meters en kilometers geschreven–ondanks zijn Britse achtergrond—dat werd omgezet in mijlen; Celsius moest Fahrenheit worden, mamma en papà werd gewijzigd in mamma en pappa. Dat was het nog lang niet: een hele lijst met woorden werd veramerikaniseerd. Het is duidelijk dat al die veranderingen een aantasting betekenden van het ritme en rijm van de oorspronkelijke zinnen. Parks is er nogal laconiek onder, maar hij vraagt zich wel af of dit beleid ertoe zal leiden dat we straks Dickens, Austen, Fielding, Joyce en Shakespeare ‘gemakkelijker’ moeten maken.

More than anything else, what makes a foreign country foreign and difficult is its language, and though we cannot expected to learn a new language for every country we want to know about, it seems important to be reminded of the language, reminded that our own language is not the supreme system for understanding the world, but just one of thousands of possibilities.

Ik had het niet mooier kunnen zeggen, een fraaie les voor uitgevers.

Bij het losjes doorbladeren van Vlaamse dichtbundels, wat ik ’s avonds laat nogal eens doe, kwam ik de afgelopen dagen woorden tegen als wegeling, moesjes, pateen, woonst, toffels, appelaar, macadam, lamfer. Niet alledaags, inderdaad, maar wél zonder enig probleem in gangbare woordenboeken te vinden. Ik doe die moeite graag, al is het vaak niet nodig omdat de betekenis gemakkelijk uit de context valt af te leiden. Mijn oog bleef hangen aan een kort gedichtje van Richard Minne. Zonder titel.

Te Latem ligt de sneeuw tot aan uw knoesels.
De zonne zit erop, ’t is de moment.
De pot kookt voor gevieren, zijn ’t geen choesels,
’t is hutsepot of stoverij van Gent.

Dies wil nu, waarde Dame en waarden Heere,
met sjerpen, gummi-schoenen en in pij,
van Beersel naar deez’streke rapplikeeren,
want sneeuw is sneeuw en ’t smelten staat erbij.

Je moet je maar liever niet voorstellen wat de taalpolitie over dit prachtige versje te melden zou hebben. Je realiseert je dat Parks hoogstwaarschijnlijk gelijk heeft: dit is vrijwel niet meer te ‘vertalen’ en de kans lijkt uitgesloten dat er nog een uitgever voor te vinden is. De regels van Minne komen uit zijn Verzameld Werk. Ooit was er een uitgever die dol was op dit werk en het beslist wilde publiceren. Hij is dood, de literatuur hebbe zijn ziel: Geert van Oorschot.

 

illustraties:

Saskia de Coster; bron: commons.wikipedia.org
Tim Parks; bron: www.independent.co.uk