Afgelopen weekend besteedde mijn krant aandacht aan het verschijnsel moord en doodslag (NRC Handelsblad, 12, 13 maart 2016). Doordat de Hoge Raad de criteria voor moord verscherpt, neemt bij zogenaamde levensdelicten het aantal veroordelingen voor moord af en voor doodslag toe. Ongetwijfeld tot genoegen van de veroordeelden, aangezien op dat laatste delict lagere straffen staan dan op moord, waarbij ‘voorbedachten rade’ moet worden vastgesteld. Zoals het een kwaliteitskrant past, gaat het bericht gepaard met veel achtergrondinformatie. Cijfers vooral, tot achter de komma. Veruit de meeste slachtoffers zijn ‘bekenden’, een kwart van de delicten komt voort uit ‘relatieproblemen’, slechts 15% vindt plaats in het criminele circuit—omgekeerd evenredig met de aandacht die daar gewoonlijk aan wordt besteed. Wraakmoord: 0,3%; lustmoord: 0,7%; homogeweld: 0,7%; roofmoord: 8,3%. Je vraagt je af hoe zulke categorieën tot stand komen en worden toegepast—wat zou in godsnaam een ‘lustmoord’ zijn? of een ‘wraakmoord’? Wie bepaalt dat? op welke gronden? Het ziet er misschien indrukwekkend uit, zo’n gedetailleerde lijst met specificaties, maar we weten allemaal dat de politie een fractie van de misdaad in het vizier krijgt en dat het oplossingspercentage voor veel delicten bedroevend laag is.

Mijn aandacht werd vooral getrokken door het stuk over de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke daders: Vrouwen zijn gek, mannen zijn slecht. Vrouwen plegen slechts ongeveer ééntiende van de levensdelicten en daaronder is ‘moord in gezinsverband’ (het doden van echtgenoot/vriend en/of kinderen) oververtegenwoordigd. Daar hangen andere kenmerken mee samen: vrouwelijke daders zijn iets ouder dan mannelijke en ze nemen gemakkelijker hun toevlucht tot simpele middelen: een keukenmes of blote handen. Bij de motieven worden dikwijls psychische stoornissen verondersteld: ‘vrouwen zijn gek’; ze zouden meer in een opwelling handelen en als gevolg zijn de straffen dikwijls lager.

Het is bekende materie, de cijfers veranderen nauwelijks over de jaren, en toch kijk je ervan op. In de criminologie is al zeker een eeuw een discussie gaande over vrouwelijke misdaad. Waar zijn de lagere cijfers aan toe te schrijven? Veel mensen, ook sommige beoefenaren van de wetenschap, zijn geneigd aan ‘aanleg’ te denken: vrouwen zijn minder tot misdaad geneigd vanwege hun constitutie of—om het negatief te formuleren—het ontbreekt ze aan het testosteron dat bij mannen tot criminaliteit en geweld zou leiden. We hebben onlangs weer veel vertegenwoordigers van die denkrichting de revue kunnen zien passeren bij de commentaren op de ‘oudennieuw’-incidenten bij Station Keulen. Als het gaat om vrouwen en criminaliteit liggen volgens deze gedachtegang de verhoudingen duidelijk: mannen zijn daders, vrouwen slachtoffers. Aan de andere kant is door diverse geleerden de hypothese geopperd dat de achterstand van vrouwen op crimineel gebied een rechtstreeks gevolg zou zijn van de achtergestelde positie van vrouwen in de maatschappij als geheel: vrouwenemancipatie zou de zaken op den duur rechttrekken.

Dat vrouwelijke criminelen in de statistieken ondergewaardeerd worden of zelfs onzichtbaar zijn, kan trouwens ook aan diverse bijzondere omstandigheden worden toegeschreven. Vrouwen verkeren veel in de huiselijke sfeer, ook als ze buitenshuis werkzaam zijn, en dat maakt ontdekking van door vrouwen gepleegde misdrijven moeilijk. Je verwacht het niet, dus zoek je er niet naar. Als een kind sterft, wie denkt er dan aan voorbedachten rade? Dat doet toch zeker geen moeder!!! Anderen hebben gedacht aan de geringe fysieke kracht van vrouwen, ook als ze dromen van gewelddadigheden… ze hebben er eenvoudig de spierkracht niet voor. Hiermee hangt samen dat door vrouwen gepleegde misdaden onderbelicht blijven omdat slachtoffers, zeker als het mannen zijn, zich kapot schamen om aangifte te doen. Je gaat toch zeker niet vertellen dat je in elkaar geslagen bent door een meid? Zo’n aangifte zou trouwens ook gemakkelijk op ongeloof kunnen stuiten. Aangevallen door een vrouw? Jaja, zo weet ik er nog wel een paar.

Het schijnt dat de emancipatiethese inderdaad tot op zekere hoogte bevestigd wordt—met de toetreding van vrouwen tot de arbeidsmarkt zijn er wel degelijk verschuivingen opgetreden in de misdaadpatronen. Zo schijnen vrouwen al hoger te scoren dan mannen bij allerlei eigendomsdelicten: verduistering, fraude, flessentrekkerij, allerlei vormen van diefstal. Ook op andere terreinen lijken de verhoudingen min of meer te zijn rechtgetrokken, maar dus niet als het gaat om levensdelicten, althans niet in Nederland.  De situatie lijkt sterk op die van Victoriaans Engeland. De vrouwelijke leden van middenklassenfamilies werden beschouwd als zuiver en deugdzaam en zouden hun leven moeten slijten in de huiselijke sfeer, waartoe ze ook door hun aard bestemd waren, lees ik in Lucy Worsleys A Very British Murder. The Story of A National Obsession (London, Random House, 2013). Een moordenares moest dus wel gek zijn of lijden aan een of andere vreselijke ziekte, uitgesloten dat zo’n schepsel normaal was!

In Bleak House tekent Charles Dickens het portret van een moordenares: mademoiselle Hortense. De naam zegt het al, ze is buitenlandse en nog wel Frans—voor de schrijver een typisch symbool van slechtheid en verdorvenheid. Juffrouw Hortense krijgt de volle laag als Mr Snagsby over haar komt klagen bij Mr Tulkinghorn. Het lijkt me niet erg politiek correct om te glimlachen, maar de humor van Dickens dringt zich op. Grote goedheid, zegt Mr Snagsby, hoofdschuddend, ik heb nooit eerder nagedacht over een vreemde vrouw, behalve in vroeger tijden met bezemstelen en kleine kinderen of tegenwoordig met een tamboerijn en ringen in het oor. Ik verzeker u, ik heb er nooit over nagedacht. En als Mr Tulkinghorn buiten gehoorsafstand is: Zulke vrouwen zijn geschapen om problemen te veroorzaken, over de hele wereld. Bij een latere ontmoeting tussen juffrouw Hortense en Mr Tulkinghorn ziet de goede heer zich geconfronteerd met that feline personage, with her lips tightly shut, and her eyes looking out at him sideways. Hij noemt haar een vixen en is getroffen door haar accent. I was en-r-r-r-raged, zegt ze en Tulkinghorn mijmert: It appears impossible for Mademoiselle to roll the letter r sufficiently in this word, notwithstanding that she assists her energetic delivery, by clenching both her hands, and setting all her teeth.

Juffrouw Hortense is de tijgerin die Mr Tulkinghorn met een pistoolschot om zeep helpt en de schuld in de schoenen van iemand anders probeert te schuiven. Ze is gemodelleerd naar Maria Manning, van de Bermondsey Horror, een moordgeval uit 1849 dat Londen op haar grondvesten deed schudden, zelfs toen er in de stad een grote cholera-epidemie heerste waar vele duizenden doden bij vielen. Zwitserse van geboorte en net als juffrouw Hortense niet helemaal zuiver op de graad in seksueel opzicht.

Ofwel vrouwen zijn helemaal puur en onschuldig, ofwel ze zijn op de een of andere manier van hun voetstuk gevallen en belichamen dan het aller-slechtste. In de negentiende eeuw werd het publiek–bepaald niet alleen in Victoriaans Engeland—regelmatig opgeschrikt door moord en doodslag waarbij vrouwen de daders waren. Lucy Worsley zegt: het is zeker overdreven om in die moordenaressen voorloopsters te zien van het feminisme, maar ze pleegden vaak verzet tegen een verstikkend systeem waarbij ze als pionnen heen en weer geschoven werden tussen vaders, echtgenoten en zonen—en in ieder geval is het een sympathiekere manier om ze te kwalificeren dan de meeste van hun tijdgenoten deden. De moordenaressen leerden de lezeressen van de misdaadverslagen in de krant een belangrijke les. Iedere keer dat een vrouwelijke moordenares uitriep dat ze had gehandeld uit verzet tegen haar ondergeschikte positie, veranderde er iets in de samenleving. Althans, volgens Worsley. Maar gezien de huidige misdaadcijfers in Nederland gaat de verandering in dat land blijkbaar traag als een slak.

 

 

illustraties:
Mademoiselle Hortense gespeeld door Gillian Anderson; bron: tusitala.org.uk
Maria Manning; bron: www.spectator.co.uk