Theodore Roosevelt (‘Teddy’) was de 26e President van de Verenigde Staten. De jongste ook. Hij was Vice-President onder William McKinley, die werd doodgeschoten — Roosevelt volgde hem op en kreeg op deze lugubere manier wat hij graag had gewild, want het Vice-Presidentschap was hem eigenlijk een beetje te min. Hij was al Commissaries van Politie in New York City geweest en gouverneur van de staat New York, de hemel was de grens. Ik las over The Bully Pulpit, de laatste biografie van Roosevelt, geschreven door Doris Kearns Goodwin en alom geprezen. Een groot deel van de studie belicht de President vanuit zijn connecties met de pers. Fascinerend, want Roosevelt’s loopbaan viel samen met de opkomst van een buitengewoon kritische journalistiek. Aan de ene kant de brutale persmuskieten van William Randolph Hearst en zijn Cosmopolitan, aan de andere kant tijdschriften als Collier’s en Saturday Evening Post, maar vooral het maandblad van S.S. McClure en zijn oude schoolmaatje John Sanborn Phillips: McClure’s. Zij hadden geld en huurden tegen flinke salarissen en, voor die tijd ongehoorde, onkostenvergoedingen topschrijvers in. Zoals Jack London, Arthur Canon Doyle, Rudyard Kipling, Willa Carter en topjournalisten als Lincoln Steffens, Ida Tarbell en Ray Stannard Baker. In McClure’s gingen literatuur en journalistiek hand in hand; pas veel later zou een dergelijke versmelting opnieuw plaatsvinden toen auteurs als Truman Capote, Norman Mailer en Tom Wolfe het genre van faction ‘ontdekten’. De nieuwe media hadden geld en macht, hun oplagen liepen in de honderdduizenden.

Teddy R

Teddy Roosevelt

 

Roosevelt kon het vooral goed vinden met wat hij de muckrakers noemde, progressieve onderzoeksjournalisten die de misstanden van het opkomende industriële tijdperk aan de kaak stelden. Ida Tarbell liet de monsterachtige praktijken zien van Rockefeller’s Standard Oil, die zij vergeleek met een wanstaltige octopus die zijn zuignappen overal had vastgeklonken, Lincoln Steffens was de onvermoeibare speurder naar corruptie bij stadsbesturen, later gepubliceerd in zijn magistrale The Shame of Cities. Hij ontdekte een patroon in stedelijke corruptie en dacht dat hij de grondslagen had gelegd voor een ‘politieke wetenschap’. Hij was een uitmuntend interviewer, aldus A.N.J. den Hollander in zijn studie Het démasquée in de samenleving — bij mijn weten het enige serieuze geschrift over dit onderwerp dat in Nederland ooit is geschreven. ‘De grootste boosdoeners vertelden hem wat zij hadden misdreven, hoe zij het hadden klaargespeeld en hoe dit straffeloos kon gebeuren’. Corruptie had trouwens ook goede kanten, aldus Steffens: er waren daardoor dingen mogelijk die anders nooit voor mekaar zouden komen. Upton Sinclair schreef zijn artikelen over de vleesverwerkende industrie van Chicago, later gebundeld in The Jungle, lange tijd het enige Amerikaanse boek dat in de Sovjet-Unie gelezen mocht worden vanwege de onvoorstelbare misstanden die erin worden beschreven.

Veel van de reportages hadden maatschappelijk effect. Roosevelt’s antitrustwetten en belangrijke wetgeving als de Pure Food and Drugs Act waren directe reacties op de onthullingen in de pers. Kom daar nu eens om! Sommige verslaggevers stonden op zodanig goede voet met de President, dat ze hem stukken lieten lezen die nog niet gepubliceerd waren. Een bekend voorbeeld is Ray Stannard Baker die, na zijn ontmaskering van corruptie bij de vakbonden, bezig was met de duistere praktijken van de spoorwegmaatschappijen. Op die manier probeerden ze de President tot een bepaald beleid te bewegen.

Roosevelt was Republikein, maar deze partij had nog niet de reactionaire reputatie van vandaag. Hij liet, ook na zijn Presidentschap, in het openbaar uitermate vooruitstrevende geluiden horen over winstdeling, hoger onderwijs, kinderopvang en dergelijke. Dat moet je wél in de omstandigheden van destijds plaatsen, want tegelijkertijd sloeg Teddy soms ook de stompzinnigste raciale vooroordelen uit. De huidige President Obama bewijst graag lippendienst aan het gedachtengoed van Roosevelt, maar is lichtjaren verwijderd van zelfs diens bescheidenste voorstellen. De pers was Teddy’s geweten. Vermoedelijk heeft de journalistiek sindsdien nooit meer een positie gehad die in de buurt komt.

Baker

Ray Stannard Baker

Toch was Roosevelt ambivalent over zijn kritische vrienden. Kwamen ze af en toe te dichtbij? In 1906, bij voorbeeld, hield hij een beruchte toespraak waarin hij de kritische journalistiek van zijn dagen de aanduiding gaf, die later een geuzennaam geworden is: muckraking, vuilspuiterij. Hoewel hij geen individuele journalisten bij naam noemde, voelden velen zich aangevallen. Als hij erop werd aangesproken, draaide hij lafhartig alle kanten op: tegen Steffens zei hij dat hij Sinclair had bedoeld, tegen Baker zei hij dat hij het over Hearst had gehad. Steffens had misschien gelijk, met een beetje leugen en bedrog krijg je dingen voor elkaar die anders ondenkbaar zouden zijn.