Onlangs schreef ik op deze plek over onaanraakbaarheid in India. In algemene zin. Maar wat speelt zich af in het dagelijks leven? Een paar voorbeelden. In bijna alle dorpen van Maharashtra vormden de Mahars, de onaanraakbaren, zo’n 10% van de bevolking. De Britse koloniale overheid typeerde deze categorie onaanraakbaren in het ‘handboek voor de ambtenaar’ als inferior village servants. De Mahars dienden als grenswachten en nachtwakers, bezorgers van overlijdensberichten en andere boodschappen in omliggende dorpen, leveranciers van brandhout voor crematies, reparateurs van de dorpswallen, straatvegers, dievenvangers en opruimers van dierenkarkassen. Het geheel van plichten heette yeskar pali en moest worden uitgevoerd door iedere Mahar op basis van een vast rooster. In ruil voor hun werkzaamheden hadden de ze recht op baluta: het vlees en de huid van dode dieren, graan en kleine stukjes grond (watan).

Ik ontleen deze informatie aan Narendra Jadhav’s Outcaste, het geschrift waarin de auteur de herinneringen van zijn ongeletterde vader, Damu Mahar, bijeengebracht heeft. Het is een lofzang op de ‘held van de onaanraakbaren’ in India, Babasaheb Ambedkar, maar staat ook vol met anekdotes over de manier waarop de Mahars in alledaagse situaties werden en worden behandeld. De verhalen beslaan een groot deel van de twintigste eeuw. Jadhav zélf is een succesvolle econoom, die na een studie in de Verenigde Staten een hoge positie kreeg bij de Reserve Bank of India. Zijn broer heeft het zelfs nog verder geschopt: Municipal Commissioner van Bombay, het hoofd van de gemeentelijke bureaucratie. Je zou zeggen: een betere illustratie van de emancipatie van onaanraakbaren in India kun je je niet voorstellen, maar daarop valt nog wel iets af te dingen. Beiden hebben ruime kansen gekregen om te studeren en zich te ontwikkelen, maar uitsluitend dankzij het quotumstelsel dat geldt voor leden van Scheduled Castes. Jadhav was hoog gestegen in de hiërarchie van de financiële bureaucratie, maar hij was als token untouchable bepaald niet ‘geïntegreerd’; niemand zocht ooit zijn advies, hij werd buiten belangrijke beslissingen gehouden en bevond zich op een eilandje—en niet alleen omdat hij aan een derderangs Amerikaanse universiteit had gestudeerd. Ik heb hem ooit geïnterviewd tijdens mijn onderzoek in Bombay naar de verhouding tussen de formele en informele economische sectoren en ik was zelf blijkbaar voldoende outcaste om open kaart mee te spelen. Ik keek er dan ook niet van op dat hij in het voorwoord en nawoord bij Outcaste met nadruk verklaart dat het verschijnsel van de onaanraakbaarheid nog springlevend is in zijn land.

Het was omstreeks maart 1930 toen Damu Mahar zich een hele bloedhete dag een ongeluk had gesjouwd om de mamledar in het dorp rond te leiden, een hoge belastingambtenaar op inspectiebezoek—hij moest daartoe, blootsvoets, voor het rijtuig van de inspecteur uitrennen en bij ieder bezoek wachten tot de taken waren volbracht. ’s Avonds bracht hij de mamledar weer terug, het dorp uit, op weg naar de volgende bestemming. Toen Damu eindelijk naar huis terugkeerde, snakkend naar thee en iets te eten, werd hij staande gehouden door een politieman: Hé, Mahar, waar hing je uit, ik heb overal naar je gezocht, waar was je toch vuile klootzak?! Wat bleek? Er was een lijk gevonden dat ronddreef in een waterreservoir. Damu moest de wacht houden bij het lijk en niemand in de buurt laten tot de komst van de lijkschouwer. Toen Damu vroeg of hij eerst even naar huis mocht om iets te eten en zijn vrouw in te lichten, dreigde de politieman hem met de lange lat. Weet je wat er gebeurt als je niet onmiddellijk naar de put gaat? Ik zal mijn knuppel in je reet steken tot hij er bij je keel weer uitkomt en ik zal je net zo lang afranselen tot je de naam van je vader vergeten bent.

 


Het opruimen van een karkas

Het lijk was van een vrouw in een wit gewaad—het ging  dus kennelijk om een weduwe uit een hoge kaste—en was door de vissen aangevreten en opgezwollen. Damu was half en half van plan om ‘s nachts even weg te glippen om iets te drinken en te eten, maar was blij dat hij het niet gedaan had want de politieman kwam nog een keer langs om te controleren of hij nog wel op zijn plaats zat. Het duurde tot in de middag van de volgende dag tot de lijkschouwer kwam. Damu kreeg opdracht om het lijk uit het water te halen, maar dat weigerde hij—wetend dat hij in de grootste moeilijkheden zou komen als het de familie van de overleden vrouw ter ore zou komen dat hij, als onaanraakbare, het lijk had aangeraakt. De zaak liep totaal uit de hand, Damu werd vanwege zijn weigering halfdood geslagen en geschopt en wist zich het vege lijf pas te redden toen een hele menigte op het geschreeuw was afgekomen. Hij is naar huis gestrompeld en zodra hij weer was opgeknapt, heeft hij zijn boeltje bijeen gepakt en is met zijn vrouw in het holst van de nacht naar Bombay vertrokken.

Sujatha Gidla’s Ants Among Elephants, over de levensgeschiedenis van haar oom Khambham Gana Satyamurthy (‘Satyam’) staat ook vol met het soort pesterijen die Jadhav beschrijft. De periode die haar boek bestrijkt is een stuk recenter dan die van Damu Mahar en de gebeurtenissen spelen zich in een andere streek af: Andhra Pradesh, de oostelijke buurstaat van Maharashtra. Een gebied van Telugu-sprekers met een eigen constellatie van kasten en onaanraakbaren: de familie van Gidla bestaat uit Christenen. In de deelstaat Kerala, ten zuiden van Andhra Pradesh, hebben de Christenen een hoge positie, in Andhra behoren ze tot de onaanraakbaren. Het gaat om zogenaamde ‘tribalen’ die door Canadese missionarissen zijn gekerstend. Anders dan de Mahars, hebben deze onaanraakbaren dikwijls enig onderwijs genoten op de missionarisschooltjes en vind je onder hen beroepen als onderwijzer of lagere ambtenaar. Onderwijs wordt beschouwd als een kanaal voor sociale stijging en als het maar enigszins kan, proberen ouders hun kinderen na de lagere school naar de middelbare school te sturen en zelfs naar de universiteit. Oom Satyam was lid van de Communistische Partij India, maar schreef ook gedichten en was actief bij de promotie van het Telugu als schrijftaal betrokken.

Ook in het onderwijs is de onaanraakbaarheid altijd aanwezig, zoals Gidla uitvoerig laat zien: lagere scholen waar alleen kinderen van ‘kaste-hindoes’ op stoeltjes mogen zitten, studiebeurzen voor onaanraakbaren die om duistere redenen nooit worden uitbetaald, een professor die onaanraakbare studenten principieel lage cijfers geeft, medestudenten die weigeren om een kamer met je te delen of samen te eten. हाथी का जग साथी कीडी पाहन पीडी luidt een Indiaas spreekwoord, ‘met olifanten sluit je vriendschap, mieren vertrap je’—Gidla had geen betere titel voor haar boek kunnen kiezen. Onaanraakbaren zijn de mieren van de Indiase samenleving. Maar er zijn gradaties, zoals de schrijfster vaststelt.

 


Wie maakt de latrines schoon?

Langs de kust van Andhra Pradesh tref je de pakis, met een eufemisme ‘vuilsorteerders’ genoemd (manual scavengers). Het zijn, in minder eufemistische taal, strontscheppers. Ze halen ’s ochtends de latrines leeg die in India nog wijd en zijd gebruikt worden bij gebrek aan riolering—ik heb zelf overigens menigmaal met afgrijzen naar latrines staan kijken in het centrum van Bombay… de modernste stad van India. Het opruimen van poep is ‘handwerk’, want het instrumentarium bestaat uit niet meer dan een klein bezempje en een tinnen schaal. Daarmee worden de manden van palmbladeren gevuld en die manden moeten op kilometers afstand van de dorpsgrenzen worden gedeponeerd. Hier en daar zijn wagentjes in gebruik genomen, een aspect van de modernisering in India, maar het vervoer gebeurt nog overwegend op het hoofd. When their baskets start to leak, the shit drips down their faces. In the rainy season, the filth runs all over these people, onto their hair, into their eyes, their noses, their mouths. In het moderne India worden pakis ingehuurd als vegers en vuilnismannen, maar omdat het om een ‘traditioneel beroep’ gaat, zijn ze voor hun beloning sterk afhankelijk van liefdadigheid.

 

 

 

illustraties:

gieren; bron: climategate.nl
karkas; bron: pixabay.com
latrines; bron: commonswikipedia