In de bundel De blauwe sjaal (नीला स्कार्फ) van Anu Singh Choudhary, die Dr Dick Plukker en ik momenteel vertalen—ik heb op deze plaats al eerder over die vertaling geschreven—komt het verhaal voor over Bisesar Bo (बिसेसर बो). Ze is als algemeen inzetbare hulp in de huishouding in dienst bij een familie van grondbezitters. Hoewel, ‘in dienst’ is in feite geen goede omschrijving, want tussen de familie waar ze werkt en de familie van haar echtgenoot bestaat al sinds jaar en dag een patronageverhouding. Bisesar Bo is een gorin (गोडिन), lid van een lage kaste, die geacht wordt om net als haar echtgenoot hand- en spandiensten te verrichten. Op afroep en zonder betaling. In ruil krijgen ze afgedragen kleding, af en toe wat centen, een paar handjes graan en, misschien wel het belangrijkste, de bescherming van een familie die rijk en machtig is en posities vervult in de lokale politieke arena.

Ik schrijf dit alleen maar op om de context een beetje te schetsen, want het gaat me om een specifieke passage waarin Bisesar Bo geen enkele rol speelt. De pater familias, de oudste zoon van de overleden heer des huizes, is druk bezig met de voorbereidingen voor het huwelijk van zijn jongere broer dat binnenkort zal plaatsvinden. De broers vormen met hun moeder, de weduwe, een zogenaamde joint family, zoals het goede zoons betaamd: ze wonen met hun echtgenotes in het ouderlijk huis en vormen met z’n allen één collectieve huishouding. Bisesar Bo is de steun en toeverlaat van de oude mevrouw, maar houdt ook een oogje in het zeil bij de oudste schoondochter, want de kans is groot dat die op den duur de huishoudelijke taken van haar schoonmoeder zal overnemen en dan kun je maar beter goeie maatjes zijn. Het vereist voortdurend geschipper, want zoals gebruikelijk is de verhouding schoonmoeder/schoondochter gespannen—Bisesar Bo heeft er ook in haar persoonlijke leven dagelijks mee te maken: haar eigen relatie met de moeder van haar man is niet alleen gespannen maar ronduit vijandig.

Ik kom eindelijk bij de betreffende passage. De oudste zoon en zijn vrouw kleden zich aan in hun slaapkamer en hij realiseert zich dat hij straks, als de bruiloftsgasten komen, flink wat kabaal moet maken; het is feest en dat hoort iedereen in de wijde omtrek te weten.

Ik wil m’n dubbelloopsgeweer schoonmaken. Laat iemand het van die spijker op het balkon naar beneden halen, zegt de oudste zoon tegen de spiegel, of tegen z’n vrouw, die achter hem zit. Ondertussen knoopt hij z’n gesteven hemd dicht.

Zeg dat maar tegen je moeder. Daar bemoei ik me niet mee, zegt z’n vrouw tegen haar enkelband, of tegen haar man, die voor haar staat. Ondertussen richt ze al haar aandacht op de vuiltjes die ze met de punt van een veiligheidsspeld uit de belletjes van haar enkelband zit te peuteren.

De passage heeft geen grote literaire waarde, denk ik, en is zelfs een beetje flauw door die uitdrukkelijke herhaling—Indiase humor is niet altijd even fijngevoelig—maar het is me te doen om wat je oogdiscipline zou kunnen noemen. Wat hier geïllustreerd wordt, is een bijzondere manier waarop mensen met elkaar omgaan, waarbij de ogen en het kijken een indicatie vormen voor de aard van de relatie. Meneer en mevrouw zijn nog niet eens lang met elkaar getrouwd, maar als ze tegen elkaar spreken, nemen ze elkaars aanwezigheid als een onbeduidend detail voor lief. Meneer had zijn opmerking over het geweer ook tegen de tuinman kunnen maken, of tegen een willekeurige andere bediende. Doordat hij zijn vrouw niet aankijkt, behandelt hij haar als een non-person, om het maar eens in jargon te zeggen, niet de moeite waard om zijn bezigheden even voor te onderbreken. Zij van haar kant doet hetzelfde.

 


Kijk me aan!

Kijk me aan als ik tegen je spreek, is een gebod dat ik in mijn jeugd dikwijls heb gehoord, niet alleen thuis, maar ook op school. Meestal in een situatie waarbij ik streng werd toegesproken, iets ondeugends had uitgehaald. De bestraffer werd alleen maar kwader als de bestrafte een andere kant uitkeek, alsof het hem niets kon schelen dat hij werd toegesproken. Je zou zeggen dat dit een universele constellatie is, maar ik weet uit de antropologische literatuur dat je daar voorzichtig mee moet zijn.  Ik meen ergens gelezen te hebben dat Latijns-Amerikaanse kinderen op Noord-Amerikaanse scholen de ogen neerslaan als ze streng worden toegesproken. Ze denken dat dit de juiste manier van doen is, ‘respect betonen’, terwijl het ze alleen maar méér kwaadheid en straf oplevert. Aan de andere kant: een leerling die bestraffend wordt toegesproken kan de woede van een leerkracht weliswaar vergroten als hij wegkijkt, maar die misschien nog verder aanwakkeren als hij op een bepaalde manier terugkijkt: haal die brutale grijns van je gezicht!

Oogdiscipline word je met de paplepel ingegeven en bij kleine kinderen kun je dikwijls een nog onvolmaakte ‘enculturatie’ constateren. In een trein of tram hoor je de opvoeder dan zeggen: je moet die meneer niet zo aankijken. Soms is degene die zo aandachtig bekeken wordt iemand met een ‘afwijkende’ identiteit of een ander stigma: een ongebruikelijke huidskleur, een lichamelijk gebrek. Zelf ben ik ontelbare keren in zo’n positie geweest toen ik dagelijks met de lokale trein van Bombay op en neer reisde. Het kwam zelden of nooit voor dat een ‘Europeaan’ zich waagde in dit overvolle, oncomfortabele middel van vervoer en dat was voor heel wat medereizigers blijkbaar een uitgelezen gelegenheid om zo’n vreemdeling nu eens langdurig en nauwgezet te bestuderen. Door de drukte kon niemand een kant op, ik moest me, gelaten, laten bekijken.

Iemand langer aankijken dan nodig is lokt in andere omstandigheden gemakkelijk agressieve reacties uit: heb ik iets van je aan? moet je wat? Ik ben ook wel getuige geweest van een knokpartij die ontstond omdat een man in het café veel te indringend zou hebben gekeken naar de vrouw van een andere cafébezoeker. De vrouw in kwestie kan zich bijzonder opgelaten voelen door zulk jaloers-ridderlijk gedrag of haar begeleider juist met schrille stem aanmoedigen om er op los te timmeren. Koos, sla hem op zijn bek, hij heb me angekeken, heb ik een dame op de Dappermarkt wel eens horen krijsen.

Oogdiscipline is een uitermate gecompliceerde aangelegenheid, waarover—niet toevallig denk ik—heel weinig systematische kennis is verzameld. Het afgelopen weekend las ik een stukje in de krant over de etiquette in de sauna (NRC Handelsblad 16, 17 februari 2019): kijken is onvermijdelijk, maar doe het niet te lang luidde het eerste hoofdstukje. Het is lastig je ogen af te houden van blote mensen, schrijft de saunadeskundige, maar langer dan een of twee seconden mag je niet kijken, daarna wordt het al snel staren. En: hinderlijk bekeken worden is een reden tot klagen. Die lessen worden soms goed ter harte genomen. Toen ik jaren geleden mijn studenten waarnemingsonderzoekjes liet verrichten, ging één van hen de sauna in. Hij vertelde dat hij in de sauna pas na twintig minuten ontdekte dat ook zijn vriendin aanwezig was: hij had tot dan toe niet goed om zich heen durven kijken. Maar hoe weet je wanneer kijken staren wordt? Moet je de seonden aftellen?

 


Kijken of staren?

Over het algemeen is kijken een subtiele, soms problematische aangelegenheid, zeker als het gaat over naaktheid, tenminste in sommige kringen. Op nudistenstranden bestaan strategieën om de ogen nadrukkelijk weg te houden van lichaamsdelen die gewoonlijk zorgvuldig zijn weggeborgen. Zoals Erving Goffman ooit geschreven heeft: when bodies are naked, glances are clothed. Maar de sauna is slechts één van de vele instellingen waar oogdiscipline van centrale betekenis is.

Kijken is een onlosmakelijk onderdeel van het gedrag in (semi-) openbare ruimten, maar net als bij andere elementen van dat gedrag, kun je er moeilijk in het algemeen iets over zeggen. Vrijwel alles hangt samen met de concrete situatie. Het is prettig dat romanschrijvers en dichters af en toe dergelijke situaties in hun werk beschrijven. Het stimuleert nader onderzoek. Zoals de dichteres Lilian Zielstra die schreef:

Tot dusver heb ik dit geleerd

Dat het beter staat om rode wijn te drinken dan witte
dat herhaald oogcontact in een menigte ongemak veroorzaakt
dat het dan meestal per ongeluk nog een paar keer gebeurt…

 

illustraties
ogen; bron: sciencealert.com
kijken of staren; bron: verywellmind.com
oogcontact; bron: express.co.uk