Jacques Offenbach was een snelschrijver, net als Mozart. In zijn rijtuig had hij een bureaublad laten installeren, zodat hij ook onderweg kon doorwerken. Hij componeerde aan de lopende band ‘komische opera’s’, ‘operettes’, ‘opera bouffes’ voor zijn eigen Théâtre des Bouffes (waarbij de teksten parlando werden voorgedragen) en opéra-fantastiques. Zijn Les Contes d’Hoffmann is een voorbeeld van dat genre, een onderneming waar hij voor zijn doen lang aan gewerkt heeft. Zeker drie jaar. Het werkstuk was nog niet helemaal af toen hij in 1880 overleed—hij had het graag nog opgevoerd willen zien. Hij begon zijn loopbaan als cellist, afkomstig uit een arm Joods gezin uit het Duitse Offenbach-am-Main, maar werkte zich op tot favoriete componist onder Napoléon III, die hem zowel de Franse nationaliteit als het Légion d’honneur verstrekte.

 


Sneller dan de wind

Zelfs zo’n alom gerespecteerde en razend populaire componist was niet beschermd tegen ‘aanslagen’ op zijn werk. Omdat Les contes niet helemaal voltooid was, hebben na de première in 1881 tal van dirigenten en intendanten de vrijheid genomen om de opera naar eigen inzichten ter verminken—of te verfraaien, zoals ze het zelf ongetwijfeld hebben genoemd. Tot op de dag van vandaag. Bij de allereerste opvoering, bij voorbeeld, werd een heel bedrijf geschrapt. In andere versies werden liedjes naar believen aan verschillende rollen gekoppeld, terwijl er soms aria’s uit andere opera’s aan werden toegevoegd—overigens had Offenbach zijn beroemde Barcarolle eveneens ‘hergebruikt’. Ondanks veel serieus onderzoek van musicologen, zal er nooit een enkele, authentieke versie van Hoffmann bestaan. Ik citeer de criticus Adam Kirsch die in The New York Review of Books (18 januari 2018) een beschouwing schreef naar aanleiding van de produktie van Les Contes d’Hoffmann in de MET, najaar 2017.

Het geeft te denken over de integriteit van kunstwerken. Als het muziek betreft—in het bijzonder opera, maar ik neem aan dat het in andere disciplines niet principieel anders toegaat—past ons een zeker relativisme. Ik doel niet alleen op de tekst en muziek van de opera zélf, maar ook op de omstandigheden waaronder het werk wordt uitgevoerd. Ik herinner me de briefwisseling tussen Giuseppe Verdi en de muziekuitgever-muziekcriticus Giulio Ricordi over de nieuwe uitvoering van Verdi’s opera Falstaff in La Scala. Ricordi had tegen de maestro geklaagd over Arturo Toscanini die zojuist als dirigent was aangesteld bij het beroemde Milanese theater. De uitgever had zich—in zijn functie als bestuurslid—fel tegen die benoeming verzet en bleef hardnekkig stoken, ook al had hij zijn zin niet door weten te drijven. Verdi had het voor Toscanini opgenomen: hij mag inderdaad wat ervaring missen, maar de andere beschikbare dirigenten hebben nóg minder ervaring. Na de première schreef Ricordi een felle recensie in de Gazetta Musicale di Milano (16 maart 1899): We zullen ons niet druk maken over de tempi, want de aanwijzingen van de metronoom zijn nu eenmaal niet zaligmakend. Het zou daarom best kunnen dat de tempi die Maestro Toscanini heeft aangehouden, precies overeenkwamen met de aanwijzingen van de componist. Maar het resultaat was in ieder geval dat Falstaff niet het geniale en charmante karakter had van de uitvoering in handen van Verdi zélf. We hadden de indruk van een metaalachtige opvoering, alsof de pagina’s van het muziekstuk rolletjes staal waren en de baton van de dirigent een scherp zwaard (…) Het was, kortom, de onverbiddelijke bijl van de Spaanse Inquisitie die de muziek van Falstaff in mootjes hakte. Discipline is nog iets anders dan tirannie en nauwkeurigheid iets anders dan rigiditeit.

 


Verdi: charmant en geniaal

Verdi had de première niet bijgewoond en dankte Ricordi voor de sympathieke woorden aan zijn adres. Over de kritiek op Toscanini schreef de oude meester zijn befaamde overpeinzing: Misschien moeten we weer terug naar de bescheiden dirigenten van vroeger. Toen ik mijn loopbaan begon, leden we onder de vloek van de prima donna’s, nu onder de tirannie van de dirigenten. Slecht, slecht… maar de slechtheid van vroeger was beter. De overgang van de almacht van de zangers en zangeressen naar die van de componist—in de persoon van de dirigent—was niet de enige verandering die zich in de geschiedenis van de opera heeft voorgedaan. Met name in Italië werd de uitvoeringspraktijk lange tijd bepaald door de wat je de impresario zou kunnen noemen; een reizende ondernemer die contracten afsloot met theaterdirecteuren en daar passende composities, zangers en muzikanten bijzocht. Componisten moesten snel kunnen schrijven en niet al teveel worden gehinderd door eigendunk en trots: in hun werkstukken werd naar believen geschrapt en afhankelijk van de omstandigheden werden ze aangevuld met geschikte teksten en muziek. Plagiaat en zelfplagiaat waren alledaagse praktijk. Offenbach zou ook voor Italië een ideale componist geweest zijn, maar componisten als Donizetti, Bellini en Rossini deden bepaald niet voor hem onder. Na de impresario hebben we de muziekuitgever gekregen die tot op grote hoogte kon bepalen hoe ‘hun’ opera’s werden uitgevoerd. De prominente positie van het huis Ricordi in Milaan was er een sprekend voorbeeld van, net als de intensieve contacten die Giulio Ricordi met Verdi en andere componisten (zoals Puccini en Mascagni) onderhield.

 


De almacht van de kelen

Het tijdperk van de zangers wordt onnavolgbaar geïllustreerd door de anekdote over de zangeres die weigerde zich aan te passen bij de eisen van de productie. Was het Adelina Patti? Giuditta Pasta? Rosa Ponselle? Nellie Melba? Ik weet het niet meer en heb er Rupert Christiansen (Prima Donna. A History) vergeefs op nageslagen. Wie het ook was, haar agent meldde zich bij de regisseur met de mededeling dat ‘zijn’ diva weigerde om zich in allerlei bochten te wringen omdat het ‘verhaal’ dat zou vragen. Er is maar één manier waarop mijn zangeres meewerkt aan deze productie, had hij gezegd, midden op het toneel, met het gezicht naar de zaal en niemand anders in de buurt. Inmiddels verkeren we in het tijdperk van de intendant/regisseur. Alles draait om het theatrale element, zangers zijn inwisselbaar en ook de dirigenten hebben zich maar aan te passen. En uiteindelijk natuurlijk net zo goed de  componisten. Op deze plaats heb ik al eerder de neiging behandeld om opera’s te verplaatsen naar ‘onze tijd’ om ze aanvaardbaar te maken voor een hedendaags publiek: Don Giovanni als maffiabaas en dat soort idiote uitwassen.

Een vriend zei me onlangs: muziek is vooral het verstrijken van tijd. In theorie misschien. De praktijk is oneindig veel ingewikkelder.

 

illustraties
Mary Garden als Salome; bron: Rupert Christiansen, Prima Donna. A History. Harmondsworth (Penguin) 1986-oorspronkelijk 1984
Jacques Offenbach door André Gill en cartoon van operazangers door Gustave Doré; bron: Carolyn Abbate, Roger Parker, Opera. A History of the Last 100 Years. London (Allen Lane) 2012
Giuseppe Verdi; bron: Marcello Conati, ed. Interviews and Encounters with Verdi. London (Victor Gollancz) 1984