Behalve veel andere dingen is opera ook wispelturig. Ik besteedde op deze plaats onlangs aandacht aan de sterk wisselende omstandigheden waaronder opera wordt gepresenteerd en ook aan de soms ingrijpende coupures of aanvullingen die op individuele opera’s worden toegepast. Je kunt je bijna niet voorstellen dat iemand een schilderij van Rembrandt in stukken knipt omdat de kunstenaar er teveel mensen op geschilderd zou hebben. Toch zal de geschiedenis van de schilderkunst overlopen van dat soort ingrepen. Rembrandt is heilig en onaantastbaar verklaard, maar is dat altijd zo geweest? Zal het altijd zo blijven? Opera, muziek in het algemeen, is net als andere kunstuitingen hoogst gevoelig voor modes. Ik herinner me hoe geschokt ik ooit was toen het tot me doordrong dat er lange tijdvakken zijn geweest waarin een componist als Mozart praktisch vergeten was en niet werd uitgevoerd, of waarin zijn werk gold als toppunt van sentimentele zoetigheid. Ook onvoorstelbaar.

Er wordt wel gezegd dat opera een museumkunst is geworden. Van de vijftienduizend opera’s die ooit geschreven zullen zijn (ik sla er een slag naar), wordt een handvol aldoor maar opnieuw opgevoerd, het topje van een ijsberg. Van de rest hebben we nooit gehoord en zullen we ook nooit horen. De wereld van de opera staat bekend om zijn oerconservatieve smaak, misschien nog meer dan de die van de kamermuziek of symfonische muziek, om maar te zwijgen van het toneel. Het stereotype beeld van de tevreden operabezoeker, zegt David Littlejohn in zijn The Ultimate Art, is iemand die nooit verder komt dan Aïda-Barber-Carmen en die aldoor maar enthousiast meedeint met de Fausten, Lohengrins, Lucia’s en Tosca’s terwijl hij lang geleden naar iets beters had moeten overstappen. De auteur deed onderzoek naar de programmering van een flink aantal operahuizen (het onderzoek dateert uit omstreeks 1990, maar het is de vraag of dit veel afdoet aan de actualiteit). In ruim vijftig steden werden nauwelijks tien opera’s minstens tweehonderd keer opgevoerd: werken als Tosca, Madama Butterfly, Don Giovanni, Rigoletto, La traviata. Een enkele uitzondering daargelaten, zegt Littlejohn, zou je hetzelfde lijstje vijftig jaar eerder ook hebben gevonden. Ingegraven conservatisme, noemt hij het. Op basis van de gegevens uit meer dan 250 operagezelschappen stelt hij een ‘top-honderd’ op van meest uitgevoerde werken, waarbij hij aantekent dat de Duitse operagezelschappen een ietwat afwijkend patroon vormen: daar worden meer dan elders ‘lichtvoetige’ stukken uitgevoerd, zoals operettes en zelfs Amerikaanse musicals. Mozart, Wagner, Strauss, Verdi, Puccini, Rossini, Donizetti, Mascagni, Leoncavallo, Massenet, Bellini, Britten, Janácek, Offenbach—met dit rijtje componisten heb je het wel zo’n beetje gehad, waarbij je moet bedenken dat van sommige componisten slechts één werk bekend is; sprekende voorbeelden zijn Cavalleria rusticana van Pietro Mascagni en I Pagliacci van Ruggero Leoncavallo, die bovendien meestal in één avondprogramma worden samengebracht.

Een fraaie illustratie van Littlejohn’s stelling is Michael Steen’s Great Operas. A Guide to 25 of the World’s Finest Musical Experiences. Inderdaad: een uitvoerige, grondige gids waarbij ieder van de vijfentwintig werken afzonderlijk de revue passeert, met bij iedere opera een opsomming van Wie is Wie en Wat is Wat: waar en wanneer speelt de opera zich af en wie zijn de personages die erin figureren? Leoncavallo en Mascagni worden in één hoofdstuk ondergebacht onder de titel: Cav & Pag. We zijn helemaal thuis. Overigens is het aantal componisten aanzienlijk beperkter dan het aantal opera’s dat besproken wordt: Mozart, Puccini, Verdi, Donizetti en Wagner zijn met meer dan één werk vertegenwoordigd, Mozart en Puccini beiden zelfs met vier. I have concentrated on the well-known favorites, verklaart de auteur in zijn voorwoord. Het boek is ontstaan uit korte kattebelletjes die hij voor vrienden maakte die voor het eerst naar de opera gingen (dat zal wel op zijn aandringen zijn geweest).

Maar… is het ook wáár? Dezelfde Littlejohn van het oerconservatisme wijdt een hoofdstuk in zijn boek aan Norma ter verdediging van de Italiaanse traditie van belcanto. In de jaren 1940 was het met name Maria Callas die, onder regie van Luchino Visconti, voor een herleving van dat genre zorgde en maakte dat na vele decennia van verwaarlozing het werk van componisten als Bellini, Donizetti en Rossini weer onder de aandacht van operahuizen kwam. Overigens gold het ‘vergeten’ van die componisten juist bij uitstek voor de grote theaters die de toon bepaalden, zoals La Scala in Milaan en de MET in New York. Since Callas revived Norma for the non-Italian world in 1948, any number of singers have had a go at the role, often in explicit imitation of her style.

Het is in de geschiedenis vaker voorgekomen dat nieuwe modes ontstonden door toedoen van briljante musici die de ogen van velen wisten te openen voor onbekende of verloren gewaande schoonheid. Omstreeks 1900 werd Arturo Toscanini aangesteld als chef-dirigent bij La Scala. Overigens niet tot ieders tevredenheid, want onder zijn bewind zou het beroemde theater avontuurlijke, nieuwe wegen inslaan. Uit de briljante, recente biografie van Harvey Sachs, Toscanini. Musician of Conscience, heb ik opgetekend welke producties de Maestro de eerste jaren realiseerde: Meistersinger, Norma, Iris, Falstaff, Le roi de Lahore. Guillaume Tell, Les Huguenots in het eerste seizoen, Siegfried, Lohengrin, Tosca, Otello, Eugene Onegin in het tweede seizoen. Overwegend gloednieuwe opera’s van avant-garde componisten en… Wagner, die voor tal van Italianen volslagen onbekend was.

 


De nieuwe Maestrro van La Scala: avant-garde

Zoals bekend stuitte Toscanini op fel verzet, met name van de machtige Signor Giulio, de Milanese muziekuitgever Giulio Ricordi. Volgens Sachs een man met een duivelse baard en een sardonisch gevoel voor humor. He was accustomed to being listened to and obeyed by everyone in the business, and he wanted to exercise a decisive influence in the operations of Italy’s greatest lyric theater. Zijn  uitgeverij publiceerde weliswaar het werk van Wagner, maar hij had een grondige hekel aan die muziek. Toscanini was er tegen de zin van Ricordi op uit van La Scala een modern muziektheater te maken, niet alleen maar a showcase for vocal display. De aanstelling van de dirigent heeft niet lang geduurd, de partijen zijn met knallende ruzies uit elkaar gegaan. Bij Toscanini’s streven paste eveneens een hernieuwde aandacht voor het oudere werk van Verdi, een componist die hij in hoge mate bewonderde maar van wie alleen nog de laatste opera’s werden uitgevoerd: Otello en Falstaff. De serieuze aandacht die de dirigent besteedde aan Wagner—wat stond er precies geschreven en wat was de achterliggende bedoeling—diende volgens hem ook te worden toegepast op de ‘oude’ Verdi. Het was een ferm en moedig besluit in die dagen.

 


Victoria de Los Angeles en James McCracker in Otello, 1962

Zoals Sachs laat zien, beschouwde het verwende Italiaanse operapubliek zich als te sophisticated voor al die bekende deuntjes uit Rigoletto, Il Trovatore, La Traviata. Je hoorde aftreksels daarvan op iedere straathoek spelen door orgeldraaiers, of gezongen worden tijdens dronkenmansgelagen in de kroeg. Passages werden gebruikt in cabaretprogramma’s en vrijuit geparodieerd, ze maakten soms ook deel uit van de alledaagse conversatie. Uitgekauwd, afgesleten, morsdood. Het was een schok toen Toscanini besloot om Trovatore opnieuw uit te voeren op een manier die zou garanderen dat het publiek niet in schaterlachen zou uitbreken. Ricordi zag er niets in en gaf aanvankelijk geen toestemming ‘zijn’ muziek te gebruiken. Maar Toscanini’s Trovatore betekende het begin van een Verdi Renaissance. Het oudere werk van de befaamde componist was al decennia niet meer in La Scala te zien en te horen geweest, maar werd nu zorgvuldig ‘gerestaureerd’, Verdi kreeg zijn ‘rechtmatige plek in de geschiedenis van de opera’ terug.

Sommige opera’s zijn blijkbaar sterk genoeg om steeds opnieuw te kunnen worden uitgevonden. Het repertoire mag dan tientallen jaren misschien hetzelfde blijven, over de uitvoeringspraktijk zegt dat niet alles.

 

illustraties
Otello met Victoria de Los Angeles en James McCracken; bron: David Littlejohn, The Ultimate Art. Essays Around and About Opera. Berkeley, Los Angeles, Oxford (University of California Press) 1992
Arturo Toscanini, laatste concert en tijdens aanstelling bij La Scala; bron: Harvey Sachs, Toscanini. Musician of Conscience. New York, London (Liverlight Publ. Corporation) 2017